Naturalistisch toneel: Cyriel Buysses ‘Driekoningenavond’ (1899) hertaald

Gratis lespakket op basis van een hertaling van het oorspronkelijk in Oostvlaamse spreektaal geschreven toneelstuk van Cyriel Buysse. De focus is het opbouwen van dramatische spanning in het exposé en de algemene kenmerken van naturalistisch theater.

Elk toneelstuk begint met een exposé: er moet een heleboel informatie over de personages en de intrige gecommuniceerd worden. Dat kan altijd langdradig worden, en de toneelschrijver mag in het eerste bedrijf de aandacht van de kijker niet verliezen. Het antwoord hierop is dramatische spanning en Buysse slaagt erin die naadloos in het exposé te verwerken. Samen met Vrouw Cloet worden we bang, zonder exact te weten waarvoor we angst hebben.

Lespakket – Cyriel Buysse ‘Driekoningenavond’ (1899)
  • Hertaalde tekst: eerste scène ‘Driekoningenavond’ in PDF
  • Begripstest met 12 vragen op 15 punten in PDF
  • Twee foto van Cyriel Buysse in JPG
Size: 563kB
Version: v 1.0
Published: 7 januari, 2026

Probeer de meerkeuzevragen online uit op Wayground

Vrouw Cloet heeft het tijdens de gevangenschap van haar echtgenoot Cloet moeten aanleggen met de buurman Rosse Tjeef en dit heeft geleid tot een ongewenste (!) zwangerschap. Deze zaterdagavond wordt Cloet mogelijk vrijgelaten en zal hij naar huis komen om de ontrouw van zijn echtgenote te ontdekken. Terwijl vrouw Cloet het hele verhaal doet aan de buurvrouw, wordt ze geregeld onderbroken: het is Driekoningenavond en kinderen gaan de deuren langs om te zingen voor giften. Telkens is er de vraag (bij Vrouw Cloet én het publiek): is hij het?

De opening van Hamlet werkt op gelijkaardige manier: soldaat Bernardo staat op wacht en wordt afgelost door zijn maat Francisco. De eerste woorden van Bernardo: “Who there?” zetten de toon voor het hele stuk: Wat is echt? Wat is inbeelding? Was het mijn vriend of een geest? Het is ook de meeste bondige formulering van de vraag die Hamlet bezighoudt: wie schuilt er achter de verschijning: God of de duivel? Shakespeare verliest in hier ook geen tijd met een exposé – onmiddellijk wordt de sfeer gezet, het thema geïntroduceerd en dramatische spanning gecreëerd: triple whammy.

Qua layout, heb ik voor optimale ‘modernisering’ het formaat van filmscript gekozen. Ik heb een poging ondernomen de tekst met zo weinig mogelijk ingrepen te moderniseren: de originele dialogen (niet de regieaanwijzingen!) zijn in een getranslitereerd Oost-Vlaams dialect waarmee zelfs Vlamingen die niet uit deze regio komen, problemen zullen hebben. Hier een voorbeeld:

Joa ’t zulle… de stroate ligt huel de gans wit, en as ’t nie en woare van ’t laweit van de wind en ’t zijngen van de kinders, g’en zoedt gij gien muizeken mier huere piepen. D’r ligt al ten minste ‘nen halve voet snieuwe. De kinders die nog veur de deuren stoan te zijngen zien d’r hiel de gans wit van, en de dutsen stoan zuedanig te dudderen da z’ er van blitten gelijk gietses. Als ‘k noar hier kwam ben ‘k de sandurms tegengekomen die op ulder nachtronde uitgijngen: ze zagen d’r precies uit lijk spueken onder ulder lange mantels…

Dit werd herschreven naar het volgende:

Ja, hoor… de straat ligt helemaal wit, en als ’t lawaai van de wind en ’t zingen van de kinderen er niet was, je zou geen muisje meer horen piepen. D’r ligt al minstens een halve voet sneeuw. De kinderen die nog voor de deuren staan te zingen, zijn helemaal wit, en de schaapjes staan zo te bibberen dat ze ervan wenen als gieters. Toen ik naar hier kwam, ben ik de politie tegengekomen die op nachtronde ging: ze zagen er net uit als spoken met hun lange mantels…

“Dit is geen poëzie!” over Jules Deelder, ‘Blues on tuesday’ (1981)

Moderne poëzie kun je niet te lijf gaan met het begrippenapparaat uit de klassieke poëtica: je moet het gedicht ervaren en erbij associëren. In plaats van strofes en metaforen, zijn kunstgrepen in dit gedicht ontleend aan de blues: simpele teksten waarin je het lijden van het leven bezingt.

De tekst heeft 12 regels zoals een 12-matenblues en gebruikt veel herhalingen. In de blues worden vaak volledige regels herhaald, hier wordt die schijn gewekt met het woord ‘geen’. Naast dit woord bevat de hele tekst maar 12 woorden, dus 13 verschillende woorden in de hele tekst. En toch slaagt Deelder erin een duidelijk beeld neer te zetten en er een mooie pointe aan te breien: ‘geen klote, geen donder, geen reet’.

Dat deze ’tekst’ de mensen op de een of andere manier beroert, mag duidelijk zijn aan de reacties op gedichten.nl. De eerste reactie is onmiddellijk raak: dit is geen poëzie!

Literatuur, en zeker poëzie, zijn serieuze zaken, daar kan enkel zuinig mee gelachen worden. Lachen is voor het circus, of het cabaret? Neen, de lach is een diepmenselijke emotie en even belangrijk als de ontroering. Iedereen denkt al gauw dat hij dit ook zou kunnen schrijven, snapt niet dat het gaat over het idee tot uitvoering brengen, niet over ideeën hebben. Mijnheer Vlasblom is verder compleet onbekend met het concept van jazz poetry en gaat voorbij aan het feit dat de tekst zich presenteert als een blues, niet als poëzie.

Het is geen dichter, het is een junk en die schrijven soms ook wel eens rijmpjes. Echte kunstenaars gebruiken geen drugs, dat weet toch iedereen?

Gelukkig duiken er ook fans op, o.a. Patrick de Punker, die het niet hoog op heeft met gestagneerde lullen uit de barok.

De ergste reactie is nochtans de meest recente en die moet leraren Nederlands doen schrikken. Poëzie gaat over leeservaring en leesplezier, over niets anders.

Formeel gezien is het ingedeeld is strofes, maar dat helpt je geen ene reet verder in het begrijpen van de tekst en dat geldt ook voor rijmschema-analyses en andere formaliteiten. Ik moet dringend iets concreet rond poëzie-analyse doen, maar de beginvraag is: wat komen we over de spreker (is niet auteur!) te weten door de tekst. Met deze beginvraag kunnen leerlingen in de klas onmiddellijk iets vertellen over deze tekst van Deelder.

Maak een Middeleeuwse Hypertext: Anna Bijns’ Verrassende Refereinen

Maak een laat-middeleeuwse tekst leesbaar links naar het Woordenboek der Nederlandse Taal te integreren in je tekst.

Ter voorbereiding van de lessen over de rederijkers, kwam ik tot het besef dat ik nog nooit Anna Bijns (1493-1575) gelezen had. Gelukkig is er dbnl.org waar een prachtige bloemlezing van prof. Herman Pleij beschikbaar is. Qua algemene inleiding op Anna Bijns, is zijn nawoord essentieel.

Het lesverloop (voorlopig ongetest) zie ik als volgt:

  • Inleidend: Leesproef: Wikipedia: Rederijkers
  • (Luisteroefening: korte inleiding over Anna Bijns en haar complexe verhouding tot de rederijkers, positie tijdens de reformatie, door prof. Veerle Fraeters. Waardevolle opname op het vlak van uitspraak, maar zwaar problematisch qua inhoud. Prof. Fraeters concludeert dat Anna Bijns niet zo past in deze tijd van verdraagzaamheid. Ook verhaalt ze de mythe dat Bijns’ uitgever wegens het uitgeven van de Lutherbijbel werd terechtgesteld, waarbij Wikipedia ons leert dat hier ondertussen serieuze kanttekeningen bij gemaakt kunnen worden.)
    • Spreken/Lezing ‘Het waar goed huwen, maar sorge is de plage’: ik lees het refrein één keer helemaal door, zonder woordverklaringen. Ik probeer er een performance van te maken zoals dit hoort bij rederijkerspoëzie: met gebaren en gepaste intonatie. De woordenschat van deze gedichten is vaak ook voor de tijd experimenteel. Ik probeer ook de leerlingen tijdens de lezing de stokregel aan te leren, d.w.z minstens te antwoorden met “maar sorge is de plage”
      • Woordverklaring eerste strofe: ik ga door de eerste strofe en toon de leerlingen via projectie, hoe ik elk woord heb opgezocht én gevonden in het WNT. Het was een persoonlijke revelatie, maar ik wist het al: de teksten van Bijns behoren tot het corpus van het WNT.
      • Opzoektaak met WNT: we lezen de tweede strofe. We stoppen bij elk moeilijk woord en de leerlingen zoeken in teams van 2 de betekenis op in het WNT
      • De leerlingen kiezen in groepjes van 2 een gedicht uit de bundel ’t Is Al Vrouwenwerk en maken een hypertekst van hun gedicht. Dat is een tekst waarin de woordverklaring minstens via een hyperlink naar het WNT gegeven wordt.
      • Schrijftaak: de leerlingen schrijven een interpretatie/hertaling/bewerking van het gedicht.

Hieronder mijn hypertekst:

Het resultaat van klassikaal werk:

Translinguïstische homofonie met Kees Torn

Vertaal het laatste woord naar het Engels, en vervang dat woord door het Nederlandse woord dat hetzelfde klinkt. Een leuke oefening om je multilinguïstische brein te trainen.

Vul het laatste woord van de zin aan. “Dat woord is altijd het Engelse semantische equivalent van het laatste woord, maar fonetisch de continuering van de syntax.”

Het lijkt makkelijk, maar als je het probeert zal je zien dat nog best kan tegenvallen.

Kees Torn

Met andere woorden: vertaal het laatste woord naar het Engels, en vervang dat woord door het Nederlandse woord dat hetzelfde klinkt. Een leuke oefening om je multilinguïstische brein te trainen.

Identiteit: wat maakt mij tot wie ik ben?

Ben ik links of rechts? Geloof ik in de maakbaarheid van mens en maatschappij of in de waarde van traditie?

Geloof ik de identiteit van mensen bepaald wordt door variabele factoren:

  • vaardigheden: wat ik kan
  • kennis: wat ik weet
  • handelen: wat ik doe
  • spreken: wat ik zeg

of door onveranderlijke factoren:

  • naam en familie: hoe ik heet
  • geboorteplaats: waar ik geboren ben
  • moedertaal: hoe ik spreek
  • uiterlijk: geslacht, huidskleur, haarkleur, kleur van ogen: hoe ik eruit zie

Werkvormen

  1. Gooi alle factoren op een hoopje en laat de leerlingen er vier uitkiezen: welke 4 factoren bepalen voor jou wie je bent.
  2. Orden de factoren in 2 groepen: factoren die kunnen veranderen en deze die niet kunnen veranderen.
  3. Noem ten minste drie andere, variabele factoren (woonplaats, job, partner)
  4. Complicering: ik kan toch mijn geslacht, huidskleur, oogkleur en naam veranderen? Hoe komt dit? Welke factoren zullen nooit veranderlijk worden?

Conclusie

Het is zeker niet de bedoeling van de les om het belang van familie, naam, geboorteplaats en moedertaal in het leven van ieder van ons te minimaliseren. Al deze aspecten zijn deel van ons verhaal, maar bepalen niet waar we kunnen geraken in het leven. We leven niet meer in de middeleeuwen, maar willen geloven in een dynamische maatschappij waar er kansen zijn voor iedereen met de juiste vaardigheden. Vaardigheden is een kwestie van leren, gefocust bezig zijn, falen en opnieuw proberen.