Neo-archaïsmen en pseudo-neologismen: het einde van het woordenboektijdperk?

In een artikel uit 2015 werd gejubeld dat onzer aller goedweerpoëet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs.Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?

We spreken over een neologisme als een nieuw woord aan de taal wordt toegevoegd en we spreken over een archaïsme als een woord als ‘oud(erwets)’ wordt ervaren. Er is geen term voor woorden die als neologisme geklasseerd worden, terwijl (en eigenlijk omdat) het eigenlijk archaïsmen zijn – het taalkundig equivalent van het warm water opnieuw uitvinden. Of: gerefurbishte woorden. Nieuwbollige woorden?

In een artikel op de website van de openbare Vlaamse televisieomroep uit 2015 werd gejubeld dat ons aller goedweerpoëet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs. Hoe hij het woord geschapen heeft, laat de guitige weerman niet weten, maar hij beweert toch dat hij het al sinds 1997 gebruikt. Hij heeft zeker bijgedragen tot de nieuwe populariteit van het woord in weerberichten, daaromtrent is geen twijfel.

Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?

Van Dale Woordenboek, 16e herziene editie

Tot voor kort konden we natuurlijk het echt grote Woordenboek der Nederlandse Taal consulteren, maar door recente aanvallen op de servers is dit prachtig online naslagwerk al meer dan een week niet meer bereikbaar. Of het WNT ooit terug online komt, is nog maar de vraag.

Op een bepaalde manier zijn woordenboeken in 2026 overbodig geworden. Heel concreet betekent dit: als je wilt weten hoe een woord gespeld wordt of wat het exact betekent, kun je altijd het internet consulteren. Een zoekmachine geeft je toegang tot duizenden voorbeelden van het gebruik van het woord in concrete, realistische contexten. Je kunt met de zoekmachine bijvoorbeeld bepalen wat de meest gebruikelijke vorm is: kaffee of café? Tenzij je wilt opvallen, volg je de keuze van de meerderheid.

Deze onderzoeksmethode naar betekenis en gebruik, verschilt niet wezenlijk van de methode die lexicografen gebruiken om woordenboeken samen te stellen. Je bakent een onderzoekscorpus af: een verzameling van de teksten die je gaat onderzoeken en je beschrijft elk woord in dat corpus. De voorbeeldzinnen uit woordenboeken zijn niet verzonnen: ze komen altijd uit het corpus. Het internet is een groot corpus dat je digitaal kunt doorzoeken. Lexicografen deden dit vroeger op papier – er was geen alternatief.

Het internet huist echter ook afgelijnde historische corpora: krantendatabanken en literaire databanken. Daar kun je duizenden teksten doorzoeken in een paar seconden en concrete voorbeelden van het gebruik van woorden in realistische context vinden. Al deze voorbeelden zou je kunnen analyseren tot een lemma dat de kenmerken en betekenissen van het woord beschrijft.

De beste plaats om een snel onderzoekje te doen is de archiefsite delpher.nl en daar vinden we het woord al in 1896 in een poëtische kunstrecensie.

De kroniek; een algemeen weekblad, jrg 2, 1896, no. 67, 05-04-1896

In 1904 verschijnt het ook in het weerbericht:

Onze Nieuwtjes.. “Deli courant”. [Medan], 15-07-1904, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026

In 1926 maakt het woord deel uit van het arsenaal van een tuindichter:

DE MAAIER.. “Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij”. Amsterdam, 20-11-1926, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026

Voor België kan men het krantenarchief Belgicapress van de KBR.be consulteren, al moet je wel registreren (gratis) om toegang te krijgen tot het hele gedigitaliseerde archief. Voor wie dacht dat het woord een hollandisme is, heb ik dit citaat uit 1947:

De Roode Vaan, 04-11-1947. Geraadpleegd op KBR.be op 17-05-2026

Een verdere stap, mocht die nodig zijn, is het consulteren van de literaire archieven op dbnl.org. Het is een kwestie van seconden om ettelijke voorbeelden te vinden, allen vroeger dan Franks epifanie in 1997:

Van Dale is niet meer was het was: een woordenboek samengesteld onder toezicht van taalkundigen. Nu is staat het onder redactie van lic. Ruud Hendrickx, jarenlang de taalnazizeur van de Vlaamse openbare oproep en naaste collega van de weerman. Jaren naast elkaar staan aan de pisbakken van de VRT, het schept een band natuurlijk, maar, heren, alstublieft… niet in mijn naslagwerk van €229.

We kunnen enkel vaststellen dat Van Dale pertinente fouten bevat: fouten die iedereen met wat internetkennis kan vaststellen. Dit is een pijnlijk moment: de betrouwbaarheid van naslagwerk met een aanzienlijke reputatie in het Nederlandse taalgebied, wordt gecompromitteerd door collegiale rugkrabberij. Natuurlijk is dit ook een slinkse manier om het reclameverbod op de VRT te omzeilen en het Van Dale woordenboek te promoten.

Ook in een ander artikel blaast Hendrickx de loftrompet van onze meteopoëet en dicht hem (alweer onterecht) de uitvinding van ‘winterprik’ toe. Het woordenboek laat hier de weerman onvermeld, maar geeft wel een jaartal: 1997. Een snelle zoekopdracht naar het woord op delpher.nl geeft ons voorbeelden uit 1976-1994.

Uit: Nederlands dagblad : gereformeerd gezinsblad / hoofdred. P. Jongeling … [et al.]. Amersfoort, 20-11-1976, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026

In 1976 heeft het woord geen aanhalingen nodig, maar in 1994 behoeft het die blijkbaar wel en wordt het omringd met het blijkbaar gebruikelijker synoniem ‘kou-inval’

‘Valentijnswinter’, in “Limburgsch dagblad”. Heerlen, 12-02-1994, p. 14. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026

Hetzelfde blijkt het geval voor het afgrijselijke woord ‘lenterig,’ een leuk alternatief voor zij die de spellingproblemen van lenteachtig willen ontwijken. Dit gedrocht vinden we nochtans al in 1920:

Het is echt betreurenswaardig dat ik 2026 gratis digitale hulpmiddelen te beschikking heb, die mijn dierbaar woordenboek te schande maken. De les die hieruit kan ontwikkeld worden ligt voor de hand: de leerlingen doen in de les het research dat de redactie van Van Dale nalaat. Zelf op woordonderzoek gaan doet hen ervaren dat 1) teksten tot 150 jaar terug best leesbaar zijn; 2) dat woorden soms een revival meemaken; 3) dat je zelf aan de hand van een krantencorpus op zoek kunt gaan naar woorden, namen, plaatsen, adressen…

Net zoals het woordenboek, is ook de weerman een anachronisme geworden: iedereen gebruikt toch gewoon zijn smartphone app als het er echt toe doet. Misschien een ideetje: een AI Deboosere weerapp waarin Frank voor iedereen een persoonlijk weerbericht brengt, een nieuwe app met een echt archaïsch weerbericht.

WW-Traject: efficiënte werkwoordentraining

Hier is ultieme werkwoordentest: tien items. Wie alles correct heeft, heeft niets meer bij te leren. Of er instinkers tussenzitten? Neen, het zijn allemaal instinkers.

0 stemmen, 0 gem
80

Je hebt 100 seconden voor 10 meerkeuzevragen.

De tijd is op! Helaas pindakaas…


Aangemaakt op Door Johan B

WW-traject: teaser

De 10 allermoeilijkste dt-opgaven

1 / 10

Ik, die zoveel van bloemen …, bedank jullie allemaal voor dit prachtige geschenk!

2 / 10

Zeg, Smulsmurf, heb jij misschien gisteren alle smurfbessen …

3 / 10

… je hond ook door die vervelende buurtkater lastiggevallen?

4 / 10

Naar … zijn er problemen op de E40.

5 / 10

… u tot de buschauffeur voor meer informatie.

6 / 10

Het ongeval is op een zondagochtend om 5u in de dichte mist …

7 / 10

Heb jij wel eens, zo als bijverdienste, … ?

8 / 10

Als dat …, is het niet mijn schuld.

9 / 10

Gij allen, broeders, gaat heen en … het woord van Christus.

10 / 10

Hij … een nieuwe auto kopen.

Je score is

De gemiddelde score is 68%

De gemeenste dt-quiz ooit — probeer ‘m nu!

LinkedIn Facebook
0%

Feedback is altijd welkom…

Bedankt om tijd uit te trekken voor feedback. Dit wordt zeker in rekening genomen.

De problemen met het bestaande werkwoordtraining zoals ik het vaak zie:

  1. Elke werkwoordstijd is een systeem op zich, dat apart begrepen en ingeoefend moet worden.
  2. De stam van een werkwoord is vaak, maar niet altijd gelijk aan de eerste persoon. De eindklank van de stam van zweven is een /v/ en daarom krijgt het een uitgang met d.
  3. De tijden gaan niet alleen over verleden, heden, toekomst maar ook over aspect: beschouwt de spreker het beschrevene als voltooid of is er een effect in het heden (onvoltooid)? ‘Ik heb gedanst’ is een tegenwoordige tijd! Het is wel een voltooide vorm (perfectum): nu heb ik een dansje achter de rug.
  4. ’t Kofschip: als leerlingen op het niveau zijn aanbeland dat er ook over morfologie en fonetiek wordt gesproken, mogen ze toch eindelijk wel eens weten waarom de letters in van ’t kofschip zijn wat ze zijn: stemloze medeklinkers.
  5. Modale werkwoorden: jij wil of jij wilt? hij wil of hij wilt? Hier wordt in het algemeen te weinig op geoefend.
  6. Consequente werkwoordsvormen met u, is vaak een probleem. Met u gebruiken we de tweede of de derde persoon, maar wel consequent. Dus niet: u heeft (3e p.) het formulier toch ontvangen en bent (2e p.) ermee naar het postkantoor gegaan.
  7. Werkwoordsvormen zijn, zoals alle talige elementen, onderhevig aan historische evolutie. Voor de werkwoorden hangt die voornamelijk samen met de evolutie van gij naar jij, die in Vlaanderen nooit (volledig) heeft plaatsgevonden. De voornaamste voorbeelden zijn: -t in de imperatief meervoud (neemt allen uw boek) en de -t in de tweede persoon onvoltooid verleden tijd van onregelmatige werkwoorden: Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad (Jes 22:9) of Mijn bozen daân Gij naamt die gunstig weg (1773; Ps 32:3). In deze context is ook te wijzen op de recente evolutie van je kunt/zult naar je kan/zal en de voorkeur voor deze vormen bij de beleefdheidsvorm ‘u’.
  8. Elke oefening op werkwoordspelling test alleen het beheersen van de regels, niet de toepassing ervan tijdens een realistische schrijftaak.
  9. Wie niet schrijft, maakt geen fouten. Uiteindelijk zijn werkwoordsoefeningen goed om alle kennis correct te ordenen, maar geen garantie op vlekkeloos spellen. Dat weten echter enkel degenen die veel zelf (veel) schrijven – niet alle leerkrachten behoren tot deze groep. Het kan niet dat leerkrachten Nederlands geen boeken lezen, maar het kan wel dat ze nooit een tekst schrijven? Zeker de blinde voltooide deelwoorden: bekend/t, gebeurd/t enzoverder blijven waanzinnige instinkers, omdat hier het absolute paardenmiddel, luidop voorlezen, niet helpt.

Het enige dat nieuw en belangrijk is aan het traject zoals ik het voorstel, is de volgorde van de oefeningen. De methode, indien die naam waardig, zit louter in het apart aanbieden, begrijpen en inoefenen van de verschillende systemen.

INDICATIEFverledentegenwoordigtoekomstig
onvoltooidik dansteik dansik zal dansen
voltooidik had gedanstik heb gedanstik zal gedanst hebben

Stappenplan

  1. Indicatief – OTT – dans(t), dansen + alle inversies. Enkel transparante werkwoorden, m.a.w. geen -d op het einde van de stam. 
  2. Indicatief – OTT – word(t), worden + alle inversies. Enkel werkwoorden met -d op het einde van de stam. 
  3. Mixoefening van 1 en 2 met inversies. 
  4. Imperatief met transparante stammen
  5. Imperatief met -d stammen
  6. Mixoefening van de Imperatief 4 en 5
  7. Mixoefening van al het voorgaande
  8. Indicatief – OVT – danste(n), volgde(n)– met werkwoorden zonder -t of -d in de stam
  9. Indicatief – OVT – praatte(n), duidde(n) met werkwoorden met -t of -d in de stam
  10. Mixoefening van 8 en 9
  11. Mixoefening van al het voorgaande
  12. Indicatief – VTT gedanst, gevolgd
  13. Indicatief – VTT of OTT het gebeurt/is gebeurd onzichtbare voltooid deelwoorden
  14. Vervoeging van leenwerkwoorden
  15. Onbestaande voltooide deelwoorden
  16. Finale Supermix oefening

Kennis is een product van vaardigheden

Het enige dat is weet, is dat ik niets weet (Socrates)

“Het enige wat ik weet, is dat ik niets weet. Ik moet alles altijd opnieuw onderzoeken,” is een citaat dat aan Socrates wordt toegedicht. Dat is zeker niet correct: het staat niet in de bekende dialogen van Plato.

Die kennis heb ik omdat ik nu zelf op digitale wijze de teksten van Plato kan doorzoeken en dat ook gedaan heb. Een verdere stap zou zijn zoeken waar het citaat dan wel voor het eerst in tekst voorkomt. Misschien ligt er nog ergens een dialoog onontdekt in een bestofte kast, dus als ik mij dezelfde vraag over vijf jaar stel, zal ik het weer opnieuw moeten onderzoeken.

Het inzicht kwam tot mij toen een vriendelijke collega mij zei “ik probeer gewoon wat kennis door te geven” en ik antwoordde met “Tuurlijk!” terwijl ik dacht: “man, wie denk jij dat je bent, als ik informatie moet hebben dan ga ik die wel zelf zoeken en het enige wat ik aan mijn leerlingen wil doorgeven is de vaardigheid om met de massa aan informatie op een productieve manier om te gaan. Weinig verrassend dat ik over dezelfde leerkracht hoorde dat hij ooit valse informatie aan Wikipedia had toegevoegd om zijn leerlingen een hak te zetten: ik noem dit een kennisterrorist.

Socrates

Natuurlijk is Wikipedia verre van perfect, maar iedereen die klaagt dat hij fouten gezien heeft en ze niet verbetert, heeft geen excuus. Eigenlijk begint kennis op Wikipedia pas bij de voetnoten. Het zou mooi zijn als Wikipedia via een AI toepassingen de kwaliteit van het artikel zou ‘raten.’ Het aantal verschillende bronnen zou een belangrijke factor zijn.

Kennis wordt vaak gelijkgesteld aan het memoriseren van termen, teksten, schema’s, modellen. Is het omdat ook universiteiten dit als het criterium zien om het kaf van het koren te scheiden? Dit is duidelijk niet de manier waarop experts hun kennis opbouwen: iemand wordt pas een goed arts na heel veel praktische ervaring en contact met vele patiënten (dan nog in een beperkt gebied). De kennis van een longarts bijvoorbeeld komt door het jarenlang onderzoeken van patiënten, het opzoeken van informatie, het doen van tests en het bespreken met collega’s. Dan spreken we over kennis.

Onderwijs moet zich focussen op het verwerven van vaardigheden die tot kennis kunnen leiden: lezen, luisteren, opzoeken, verifiëren, toepassen, bijsturen. Het is een actief proces: niet het volgieten van een leeg glas.

Woorden hebben geen betekenis, ze krijgen het in context

We weten allemaal wat het woord ‘vroedvrouw’ betekent: het is een vrouw die helpt bij de geboorte van kinderen. Die betekenis lijkt eenduidig en duidelijk en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat dit woord ooit een radicaal andere betekenis zou hebben. Ziehier de advertenties van Het Handelsblad uit 1923:

De handel in oude tanden (lees: edelmetalen) buiten beschouwing gelaten is het onmiddellijk duidelijk dat dit geen gewone vroedvrouwen zijn. Alle drie vermelden ze ‘geheime raadpleging’ of ‘geheimhouding’. Uiterst vreemd, iedereen ziet toch dat de dames zwanger zijn aan hun buik als ze gaan bevallen? Ook heel vreemd dat ze open zijn “zondags (tot 2 uur)” want als het tijdstip van bevallen heb je nu eenmaal niet te kiezen.

Het is ondertussen wel duidelijk dat dit de adressen (voor de gemakkelijkheid in de buurt van stations) zijn van abortusklinieken. Het woord ‘vroedvrouw’ in deze advertentie betekent gewoon het tegenovergestelde van wat we oorspronkelijk dachten dat het betekende en de gemiddelde taalgebruiker kan dit zien. De betekenis van woorden wordt altijd mede bepaald door de context. Omgeven door andere woorden zoals ‘geheimhouding,’ ‘enkel op zondag’ maken duidelijk dat het niet over een gewone vroedvrouw gaat.

Dit is een simpele leesoefening, maar wie ze doet, ziet met eigen ogen:

  • dat zwangerschapsonderbreking bestaat of het nu wettelijk geregeld is;
  • dat woorden op radicaal on-eigenlijke manieren kunnen gebruikt worden;
  • dat radicaal oneigenlijk gebruik van woorden een symptoom kan zijn van radicale hypocrisie.

Als het klasgemiddelde een buis is, dan is die voor de leerkracht

Natuurlijk heeft Filip Moons helemaal geen ongelijk als hij stelt dat klasgemiddelden niet alles zeggen over de prestatie van uw kind, maar een pleidooi voeren om het gewoon weg te laten en de ouders minder informatie te geven, is in dit informatietijdperk uiterst verdacht. Zijn nogal sofistisch argument tegen klasgemiddelden laat onmiddellijk zijn ware gelaat zien in de keuze van fictieve puntenreeksen.

We kunnen het spelletje dat Moons speelt, omkeren. Uw zoon of dochter komt thuis met 40%. Dat is gewoon slecht, daar heb je het klasgemiddelde toch niet voor nodig? Dat is correct: dit is een mogelijk hinderpaal voor het slagen in dit studiejaar, los van wat anderen gepresteerd hebben. Iemand die 55% haalt op een examen, heeft toch nooit iets te vieren? Dit is met de hakken over de sloot, daar hoeven we het gemiddelde niet voor te kennen.

Hier een echte puntenreeks voor Frans, 6 Humane Wetenschappen.

Het minste dat men kan zeggen is dat er iets misgelopen is in het pedagogisch proces. De vraag is nu waar het is fout gegaan. Zelfs de besten hebben 40% van de leerstof niet verwerkt?

Het klasgemiddelde zegt veel meer over de prestaties van de leerkracht i.v.m. het bijbrengen van vaardigheden en kennis. Natuurlijk hangt het resultaat ook af van de medewerking van de leerlingen, maar die hebben niet alles in de hand. De keuze van vraagstelling op het examen, de manier van examineren, het niveau van de opdrachten, zijn allemaal factoren die ook een impact kunnen hebben.

Als ik hier pleit voor het behouden van de gemiddelden op rapporten, is dat niet omdat het alles zegt over de prestaties van de leerling. Voor de positieve resultaten (+50%) is het wellicht compleet irrelevant, maar niet wanneer de leerling niet geslaagd is.

Wat de auteur ook niet lijkt te begrijpen is dat ouders wel weten dat resultaten enkel te vergelijken zijn tussen leerlingen die dezelfde lessen, dezelfde leerkracht en hetzelfde examen hebben gekregen. Zijn pleidooi dat de dochter die onder het gemiddelde scoort, misschien beter is dan de zoon die erboven zit, is voor iedereen nogal duidelijk. Alles hangt in Vlaanderen uiteindelijk van de leerkracht af.

Heel vreemd is ook de conclusie van Moons’ artikel: als je het gemiddelde dan toch wilt behouden, “vul het gemiddelde dan aan met informatie over spreiding, uitschieters,.. om een goed beeld te krijgen van de puntenverdeling.” Als spreiding van de scores belangrijk is om een goed beeld te krijgen van puntenverdeling, waarom raad men dit niet aan voor iedereen?

Hier lijkt het toch duidelijk een eerder politieke stellingname tegen N Va minister Weyts, dan een overdachte alternatieve benadering van het communiceren over de prestaties van de leerlingen. Moons’ politieke signatuur blijkt geen geheim. Hij zetelt dan ook in de ontwikkelingscommissie eindtermen wiskunde.

Het gemiddelde zegt lang niet alles, dus we geven best minder informatie? De enige reden dat scholen de gemiddelden willen weglaten, is om het flateren van leerkrachten te verdoezelen. Uiteindelijk is het altijd toch de leerkracht die verantwoordelijk is voor het leertraject.