Een hartverscheurende getuigenis van een zwaar mishandeld kind of problematische getuigenis van een getraumatiseerd, fabulerend slachtoffer?
Klassiek voorbeeld van de onbetrouwbare verteller. Enkel bij een herbeluistering van dit radioboek worden we er ons bewust van hoe problematisch deze getuigenis is: in de openingszin horen we al “volledigheid durf ik niet betrachten.” Verder is de hele getuigenis doorspekt met details die variëren van ongeloofwaardig (een 8 op het rapport voor twee nullen aanzien) tot onmogelijk (eieren bakken op roodgeslagen billen). De verteller zegt ons dat ze nu haar verhaal kan vertellen omdat mama Mia, de enige getuige van wat er met het gezin gebeurd is, overleden is. Dit kan alleen maar betekenen dat we niet het hele verhaal gehoord hebben.
Het is een omgekeerde leugenaars-paradox: naarmate we meer vernemen over Nietwaards vermeende mishandeling, wordt het duidelijk dat haar verhaal doorspekt is met leugens en verzinsels. Haar leugens en verzinsels ontkrachten haar verhaal misschien wel in alle details, maar zijn zelf een onmiskenbaar symptoom van haar reëel trauma, van welke aard dat ook mag zijn. De flagrante leugens zijn een product van haar trauma, maar wat dat trauma precies is, lijkt onmogelijk te achterhalen.
Dat er door het hoofdpersonage gefabuleerd wordt, is bij uitstek duidelijk door de bijna sprookjesachtige elementen in het verhaal: de oude wijze vrouw, het bolletje wol, de adoptie door mama Mia. Merk ook op dat dit luisterverhaal aansluit bij de eigenlijke moraal van sprookjes zoals Hans en Grietje: elk kind fantaseert wel eens dat het bij ‘andere ouders’ beter zou zijn, maar let op, voor je het weet kom je bij een heks terecht. De gruwelijkheid die op het randje van het komische lijkt te balanceren, is ook meer typisch voor de originele oude middeleeuwse volksverhalen.
Er valt in deze context ook iets te zeggen over de complexe dader-slachtofferdynamiek waarbij het slachtoffer dader wordt. Misschien niet van dezelfde soort daden, maar met andere sociopathische trekken (pathologisch liegen).
Het is met geen mensenverstand te begrijpen, mijnheer. Ze woont in een half open bebouwing, ze heeft ramen met dubbel glas, ze heeft een afwasmachine, ze heeft een droogkast van Miele. Ze heeft zelfs nen platten teevee…en toch heeft ze een depressie. Zoiets is toch niet te begrijpen!
Misschien wel het sterkste Vlaamse radioboek van de hele collectie van meer dan honderd verhalen. Vlaams in zijn setting en in de stugge, onverzettelijke geest van Streuveliaanse hoofdpersonage dat er maar niet in slaagt te begrijpen dat er ook andere perspectieven op het leven zijn dan de zijne.
Erik Vlaminck slaag er met een typische couleur locale sympathie te generen voor een uiterst onsympathiek personage. Door het perspectief van de hoofdpersoon als enige focalisatie te gebruiken, beleeft de luisteraar een mentale katharsis: we hebben het standpunt een onsympathiek en misschien zelfs crimineel personage beleefd. We zijn in zijn redeneringen meegegaan, omdat we geen andere informatiebron hadden.
In een artikel uit 2015 werd gejubeld dat onzer aller goedweerpoëet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs. Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?
We spreken over een neologisme als een nieuw woord aan de taal wordt toegevoegd en we spreken over een archaïsme als een woord als ‘oud(erwets)’ wordt ervaren. Er is geen term voor woorden die als neologisme geklasseerd worden, terwijl (en eigenlijk omdat) het eigenlijk archaïsmen zijn – het taalkundige equivalent van het warm water opnieuw uitvinden. Of: gerefurbishte woorden. Nieuwbollige woorden?
In een artikel op de website van de openbare Vlaamse televisieomroep uit 2015 werd gejubeld dat ons aller goedweerpoëet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs. Hoe hij het woord geschapen heeft, laat de guitige weerman niet weten, maar hij beweert toch dat hij het al sinds 1997 gebruikt. Hij heeft zeker bijgedragen tot de nieuwe populariteit van het woord in weerberichten, daaromtrent is geen twijfel.
Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?
Van Dale Woordenboek, 16e herziene editie
Tot voor kort konden we natuurlijk het echt grote Woordenboek der Nederlandse Taal consulteren, maar door recente aanvallen op de servers is dit prachtig online naslagwerk al meer dan een week niet meer bereikbaar. Of het WNT ooit terug online komt, is nog maar de vraag.
Op een bepaalde manier zijn woordenboeken in 2026 overbodig geworden. Heel concreet betekent dit: als je wilt weten hoe een woord gespeld wordt of wat het exact betekent, kun je altijd het internet consulteren. Een zoekmachine geeft je toegang tot duizenden voorbeelden van het gebruik van het woord in concrete, realistische contexten. Je kunt met de zoekmachine bijvoorbeeld bepalen wat de meest gebruikelijke vorm is: kaffee of café? Tenzij je wilt opvallen, volg je de keuze van de meerderheid.
Deze onderzoeksmethode naar betekenis en gebruik, verschilt niet wezenlijk van de methode die lexicografen gebruiken om woordenboeken samen te stellen. Je bakent een onderzoekscorpus af: een verzameling van de teksten die je gaat onderzoeken en je beschrijft elk woord in dat corpus. De voorbeeldzinnen uit woordenboeken zijn niet verzonnen: ze komen altijd uit het corpus. Het internet is een groot corpus dat je digitaal kunt doorzoeken. Lexicografen deden dit vroeger op papier – er was geen alternatief.
Het internet huist echter ook afgelijnde historische corpora: krantendatabanken en literaire databanken. Daar kun je duizenden teksten doorzoeken in een paar seconden. Al deze voorbeelden zou je kunnen analyseren tot een woordenboekartikel (of: lemma) dat de kenmerken en betekenissen van het woord beschrijft.
De beste plaats om een snel onderzoekje te doen is de archiefsite delpher.nl en daar vinden we het woord al in 1896 in een poëtische kunstrecensie.
De kroniek; een algemeen weekblad, jrg 2, 1896, no. 67, 05-04-1896
In 1904 verschijnt het ook in het weerbericht:
Onze Nieuwtjes.. “Deli courant”. [Medan], 15-07-1904, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
In 1926 maakt het woord deel uit van het arsenaal van een tuindichter:
DE MAAIER.. “Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij”. Amsterdam, 20-11-1926, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
Voor België kan men het krantenarchief Belgicapress van de KBR.be consulteren, al moet je wel registreren (gratis) om toegang te krijgen tot het hele gedigitaliseerde archief. Voor wie dacht dat het woord een hollandisme is, heb ik dit citaat uit 1947:
De Roode Vaan, 04-11-1947. Geraadpleegd op KBR.be op 17-05-2026
Een verdere stap, mocht die nodig zijn, is het consulteren van de literaire archieven op dbnl.org. Het is een kwestie van seconden om ettelijke voorbeelden te vinden, allen vroeger dan Franks lexicale epifanie in 1997:
Van Dale is niet meer was het was: een woordenboek samengesteld onder toezicht van taalkundigen. Nu is staat het onder redactie van lic. Ruud Hendrickx, jarenlang de taalnazizeur van de Vlaamse openbare oproep en naaste collega van weerman Deboosere. Jaren naast elkaar staan aan de pisbakken van de VRT, het schept een band natuurlijk, maar, heren, alstublieft… niet in mijn naslagwerk van €229.
We kunnen enkel vaststellen dat Van Dale pertinente fouten bevat: fouten die iedereen met wat internetkennis kan vaststellen. Dit is een pijnlijk moment: de betrouwbaarheid van naslagwerk met een aanzienlijke reputatie in het Nederlandse taalgebied, wordt gecompromitteerd door collegiale rugkrabberij. Natuurlijk is dit ook een slinkse manier om het reclameverbod op de VRT te omzeilen en het Van Dale woordenboek te promoten.
Ook in een ander artikel blaast Hendrickx de loftrompet van onze meteopoëet en dicht hem (alweer onterecht) de uitvinding van ‘winterprik’ toe. Het woordenboek laat hier de weerman onvermeld, maar geeft wel een jaartal: 1997. Een snelle zoekopdracht naar het woord op delpher.nl geeft ons voorbeelden uit 1976-1994.
Uit: Nederlands dagblad : gereformeerd gezinsblad / hoofdred. P. Jongeling … [et al.]. Amersfoort, 20-11-1976, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
In 1976 heeft het woord geen aanhalingen nodig, maar in 1994 behoeft het die blijkbaar wel en wordt het omringd met het blijkbaar gebruikelijker synoniem ‘kou-inval’
‘Valentijnswinter’, in “Limburgsch dagblad”. Heerlen, 12-02-1994, p. 14. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
Hetzelfde blijkt het geval voor het afgrijselijke woord ‘lenterig,’ een leuk alternatief voor zij die de spellingproblemen van lenteachtig willen ontwijken. Dit gedrocht vinden we nochtans al in 1920:
Het is echt betreurenswaardig dat ik 2026 gratis digitale hulpmiddelen te beschikking heb, die mijn dierbaar woordenboek te schande maken. De les die hieruit kan ontwikkeld worden ligt voor de hand: de leerlingen doen in de les het research dat de redactie van Van Dale nalaat. Zelf op woordonderzoek gaan doet hen ervaren dat 1) teksten tot 150 jaar terug best leesbaar zijn; 2) dat woorden soms een revival meemaken; 3) dat je zelf aan de hand van een krantencorpus op zoek kunt gaan naar woorden, namen, plaatsen, adressen…
Net zoals het woordenboek, is ook de weerman een anachronisme geworden: iedereen gebruikt toch gewoon zijn smartphone app als het er echt toe doet. Misschien een ideetje: een AI Deboosere weerapp waarin Frank voor iedereen een persoonlijk weerbericht brengt, een nieuwe app met een echt archaïsch weerbericht.
Drie sets gedichten: een herwerking van hetzelfde thema, een herwerking van een bestaand gedicht en een hertaling van een klassieker. Door duizendpoot Willem Wilmink.
We vergelijken enkel gedichten als ze in het oog springende gelijkenissen vertonen, want we gaan er redelijk gemeenzaam vanuit dat het in poëzie om originaliteit te doen is. De realiteit (en deze les) zullen ons leren dat schrijvers meer dan eens af- en overschrijven… zelfs bij meesterwerken.
In het eerste deel bekijken we twee van Wilminks gedichten die rechtstreeks en expliciet ‘zigeuners’ als thema hebben. De gedichten doen hierdoor een beetje verouderd aan (pre-migratie: vroege jaren ’60?), maar tegelijkertijd objectiverend: de zigeuner lijkt een archetype voor de vreemdeling. Ze zijn hier altijd geweest, maar worden niet als deel van de maatschappij beschouwd.
Discussie over de twee zigeuner-gedichten.
Het tweede deel, getiteld ‘hier en weg’, zet Wilminks beroemde gedicht ‘Achterlangs’ naast eentje van Hendrik de Vries. Dit gedicht wordt door Wilmink zelf geciteerd in zijn Handig Literatuurboek op p.101. Het is letterlijk de blauwdruk voor ‘Achterlangs’; Wilmink schrijft over dit gedicht enkel “Commentaar overbodig. Ik volsta met de opmerking: ik wou dat ik dit geschreven had”.
Het interessante is dat de teksten louter inhoudelijk geen overeenkomsten vertonen. De Vries’ gedicht is vanuit het perspectief van een jong kind; Wilminks tekst getuigt van een spreker met enige levenservaring. Centraal staat de melancholie: de rouw om iets wat voor eeuwig verloren is, maar voor altijd aanwezig omdat we niet kunnen ophouden ernaar te verlangen. In een lezing over poëzie uit 1990 geeft hij wel commentaar op dit gedicht:
Als er had gestaan ‘nam een man mij die twee stukken af en gooide ze over de schutting weg’, dan was ons hier een verhaaltje verteld. Iets als: ‘ik zag gisteren Anneke nog’. Zeg je: ‘ik heb gisteren Anneke nog gezien’, dan betekent die ontmoeting nu nog iets voor je, zoals je een boek dat je uitleende terug kunt hebben, maar een boek dat je hebt uitgeleend nog steeds mist. Het jongetje staat daar, met lege handen: ‘heeft afgenomen… weggegooid…’: het staat daar als voor eeuwig, in een bevroren beeld, nooit meer in staat die letters en cijfers te ontraadselen. De volwassene heeft het kind (en de man die eruit zou groeien) gefrustreerd, zonder dat hij wist wat hij deed. Want voor zo’n volwassene bestaan er geen raadsels, zoals we zagen: alleen maar beursberichten.
Deel drie omvat drie gedichten: Wilminks vertaling van het Egidiuslied, zijn eigen versie ter gelegenheid van het overlijden van zijn vriend Harry Bannink en een tekst die vooruitblikt op zijn eigen sterfelijkheid. Misschien zijn deze teksten beter te behandelen in het kader van het Egidiuslied. Niets hertaalt de sfeer van het originele tekst beter dan dit:
Domweg oefenen in het benoemen van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden komt de taalvaardigheid niet ten goede. Deze les stelt een paar spelletjes voor om leerlingen te stimuleren en te oefenen in deze BW-BN-ZN structuren. Contrasteren van BW en BN was nuttig tot voor de spellingshervorming van 1946/7
Dit is een diagnostische test m.b.t. bijwoord/bijvoeglijke naamwoord structuren. Concreet gaat het enkel over: verbuigen en het plaatsen van komma’s. Slechts één vraag maakt gebruik van de termen bijwoord/bijvoeglijk naamwoord, de rest kan zonder voorkennis opgelost worden.
0 stemmen, 0 gem
16
Bijwoord Bingo
Het is niet echt ‘bingo’, dat klinkt gewoon goed. Wel leuk!
Verdeel de klas in 3 teams
Elk team stuurt een team lid naar de quiz-spot: de quizzers staan met hun rug naar het bord en het gezicht naar de klas
Quizmaster trekt een letter: bijvoorbeeld ‘h’
Kandidaat 3 zegt een zelfstandig naamwoord met ‘h’, kandiaat 2 voegt een bijvoeglijk naamwoord toe (grote hond), kandidaat 1 voegt een bijwoord toe: waanzinnig grote hond.
De drie gebruikte woorden worden in drie kolommen op het bord genoteerd: deze mogen niet meer genoemd worden. Wanneer dit toch gebeurt, is de kandidaat uitgeschakeld.
De drie kandidaten verwisselen van plaats na elke beurt: zo moeten ze elke beurt een andere woordsoort verzinnen.
Na dit spel hebben we een bord vol met woorden om over te beginnen nadenken: hoe werken ZNW, BNW en BW samen om betekenis te maken?
2. De Bijwoordspinner
Alle ‘bijwoorden’ in de spinner hieronder, zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die als bijwoord gebruikt worden. Je hoeft de link maar ter beschikking te stellen en de leerlingen beginnen met plezier te draaien en rare combinaties te maken. Ze lezen ze ook met plezier voor oefenen zichzelf zo in de bw-bnw-znw: een onwijs toffe ervaring.
3.Leerlingen maken zelf een Bijwoordspinner
Stap 1: Pas het Google Spreadsheet-sjabloon aan
Maak een kopie van dit sjabloon. (Je moet hiervoor inloggen met je Google-account.)
Bewerk de kolomkoppen in rij 2.
Je kunt maximaal 10 kolommen gebruiken.
Maak onder de kolomkoppen lijsten van woorden, namen, zinnen, etc. die je willekeurig wilt laten husselen.
Geef je Randomizer een naam door de tekst in cel A1 te wijzigen.
Bewerk geen enkele cel met een blauwe achtergrond.
Stap 2: Publiceer je spreadsheet
Ga naar Bestand, Delen, Publiceren op internet en klik vervolgens op Publiceren.
Kopieer de link die in het dialoogvenster verschijnt (deze heb je nodig in stap 3).
Stap 3: Ontvang je Flippity.net-link
Klik op het tabblad Get the Link Here van het sjabloon (onderaan).
Plak de link die je in stap 2 hebt gekopieerd in cel A3.
Klik op de link die in cel A5 verschijnt om naar je Flippity.net-randomizer te gaan.
Stap 4: Bladwijzer maken en delen
Maak een bladwijzer van de pagina om deze snel terug te vinden.
Deel de Flippity.net-link met iedereen die de randomizer wil gebruiken.
4. De theoretische-historische achtergrond over bijwoord/bijvoeglijk naamwoord in het onderwijs.
Hoe moeilijk kan het zijn? Een bijvoeglijk naamwoord staat bij een zelfstandig naamwoord en een bijwoord staat bij een bijvoeglijk naamwoord. Een bijvoeglijk naam woord kan verbogen worden, een bijwoord niet: het is net zoals voegwoorden en voorzetsels onveranderlijk.
Veel grammatica moet er volgens mij niet aan vuilgemaakt worden. Wie in 2025 nog oefent op het verschil tussen bijv. nw. en bijw. zit eigenlijk nog vooroorlogs te werken. Voor de spellinghervorming was het belangrijk om te weten of het een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord was, omdat de spelling (-s of -sch) hiermee samenviel. Deze kwestie is sinds de spellinghervoming van 1946/7 een irrelevant geworden.
Alleen blijven we voor de spelling dagelijks of dagelijksch en voor het gebruik van zeldzaam (bijv. nw.) en zelden (bijw.) op het onderscheid letten. Maar wanneer wij in zinnen als: Angstig keek hij om, Ziek werd hij thuis gebracht, Vroolijk liep hij de trappen op, – onderzoeken, tot welke woordsoort de gespatiëerde woorden gebracht moeten worden, dan is dit niet meer dan geestesgymnastiek.
Voorheen dicteerde de spelling: deze wafelen zijn vers gebakken (bijwoord), maar: dit zijn versche wafelen. Of: geeft ons dagelijks ons dagelijksch brood.
Onze Taal, januari 1946
Toch een aantal opmerkingen: ‘Dansen’ is ongetwijfeld een werkwoord, maar dat wil niet zeggen dat het niet als zelfstandig naamwoord kan gebruikt worden: Dansen is leuk. Ook een bijvoeglijk naamwoord kan de rol nemen van zelfstandig naamwoord, dat is het geval bij een halve gare. ‘Halve’ en ‘gare’ zijn duidelijk allebei bijvoeglijke naamwoorden -ze zijn verbogen- maar toch functioneert de laatste als zelfstandig naamwoord. In de zin De steen is zeer hard is ‘zeer’ een echt bijwoord (dat staat bij een bijvoeglijk naamwoord) — maar deze bijwoord functie kan evengoed vervuld worden door een substantief: kei hard. Conclusie: hoe een woord syntactisch verbonden worden aan andere, geeft niet onmiddellijk informatie over de woordsoort.
Daarmee komen we op het punt dat een massa een bijvoeglijke naamwoorden op een bijwoordelijke manier kunnen gebruikt worden. ‘Echte’ bijwoorden herken je aan het feit dat ze nooit verbogen kunnen worden. Bij bijvoeglijke naamwoorden zetten we enkel bijwoorden van graad: zeer, nogal, weinig, een heel beperkte groep. Wie niet gelooft dat Jan loopt snel een bijwoordelijke bepaling bevat met als woord soort bijvoeglijk naamwoord, leest er best Onze Taal op na; of denkt na over de vraag of Jan loopt sneller ook een bijwoord bevat.
Ook zag ik de radicaal foute gewoonte om het aanvullende deel van de p.v. bij splitsbare werkwoorden aan te duiden als bijwoord — dit is radicaal fout. In de zin Ik zet mijn hoed op gaan we niet de woordsoort van ‘op’ bepalen, het is geen woord, het is een deel van een woord: een morfeem. Voor een deel is dat te wijten aan hoe Van Dale met bijvoorbeeld woorden zoals ‘op’ omgaat. Als Nederlandse verklarend woordenboek heeft het nut om nieuwe taalgebruikers op de betekenisverschillen te wijzen. In de zin ‘Ik zet mijn hoed op’ lijkt de betekenis van het voorzetsel het hebben, in ‘De vlieger gaat op’ lijkt het eerder een bijwoord.
Scholen zijn zoals AI: ze geven ‘kennis’ door zonder nadenken en deze kwestie is wel het meest hallucinerende voorbeeld dat ik ken. Ze leren je feiten, maar leren je niet ermee werken, er iets nieuws mee creëren, het toepassen in een nieuwe context. Indien we dit niveau willen bereiken zullen ook de leerkrachten moeten beginnen het voorbeeld te geven: d.w.z. zelf lesmateriaal maken. Zeker voor de verdoemde grammatica-oefeningen: je beseft nooit dat het altijd complexer is dan een oefening kan vatten van zodra je zelf oefeningen begint op te stellen. Of gewoon even de ANS bekijken, dat heeft hetzelfde ontmoedigend effect.