Des te meer je van een taal ontdekt, des te duidelijker het wordt dat elke taal ‘meer dan één taal’ is en tegelijkertijd: ‘geen taal’ meer is.
Elke grammatica is een vooraf gedoemde poging om de taal te beschrijven, dat weet elke taalkundige. Lang voor de taalkundige haas de springlevende schildpad-taal kan inhalen, is die alweer elders. Nochtans is het onderwijs vergeven van mensen die grammatica als de grondwet van het taalgebruik zien. Op constructieve manier het belang van grammatica relativeren, kan door te werken rond taalvariatie.
Lespakket – Taalvariatie: lezen
7 cartoons over taalvariatie, met meerkeuzevragen, uit Taalpeil: taalvariatie (2009) ** (PDF)
2 korte stukjes met meerkeuzevragen, ibid. ** (PDF)
Dit was volgens mij ook de reden om vanaf de eeuwwisseling taalvariatie op het programma te zetten in leerplannen. Het tonen van de taal als spectrum in meerdere dimensies, toont de relativiteit van alle regels aan. Elke taalregel is onderhevig aan historische, geografische en sociale variatie. Talen met een onveranderlijk regelsysteem zijn dood of artificieel. In de bewoordingen van de Franse filosoof Jacques Derrida: langue als term voor taalsystemen is misleidend, beter is: plus d’une langue. Hoe meer je een taal bekijkt, des te duidelijker het wordt dat elke taal meer dan één taal is en tegelijkertijd: geen taal meer is.
Elke taal lijkt slechts een eenheid vanop een afstand, als je meer inzoomt zie je altijd meerdere talen. Nederlands bestaat, maar als we van naderbij kijken, zien we bijvoorbeeld Nederlands en Vlaams. Van zodra we inzoomen op Vlaams, zien we duidelijk verschillende streektalen. Voor een Groninger lijken de dialecten van Sint-Truiden en Genk identiek, maar daar zijn de mensen uit Sint-Truiden noch Genk het mee eens.
De grammatica loopt altijd achter de feiten van de levende taal aan en kan er niet op vooruitlopen.
Gratis lespakket op basis van een hertaling van het oorspronkelijk in Oostvlaamse spreektaal geschreven toneelstuk van Cyriel Buysse. De focus is het opbouwen van dramatische spanning in het exposé en de algemene kenmerken van naturalistisch theater.
Elk toneelstuk begint met een exposé: er moet een heleboel informatie over de personages en de intrige gecommuniceerd worden. Dat kan altijd langdradig worden, en de toneelschrijver mag in het eerste bedrijf de aandacht van de kijker niet verliezen. Het antwoord hierop is dramatische spanning en Buysse slaagt erin die naadloos in het exposé te verwerken. Samen met Vrouw Cloet worden we bang, zonder exact te weten waarvoor we angst hebben.
Vrouw Cloet heeft het tijdens de gevangenschap van haar echtgenoot Cloet moeten aanleggen met de buurman Rosse Tjeef en dit heeft geleid tot een ongewenste (!) zwangerschap. Deze zaterdagavond wordt Cloet mogelijk vrijgelaten en zal hij naar huis komen om de ontrouw van zijn echtgenote te ontdekken. Terwijl vrouw Cloet het hele verhaal doet aan de buurvrouw, wordt ze geregeld onderbroken: het is Driekoningenavond en kinderen gaan de deuren langs om te zingen voor giften. Telkens is er de vraag (bij Vrouw Cloet én het publiek): is hij het?
De opening van Hamlet werkt op gelijkaardige manier: soldaat Bernardo staat op wacht en wordt afgelost door zijn maat Francisco. De eerste woorden van Bernardo: “Who there?” zetten de toon voor het hele stuk: Wat is echt? Wat is inbeelding? Was het mijn vriend of een geest? Het is ook de meeste bondige formulering van de vraag die Hamlet bezighoudt: wie schuilt er achter de verschijning: God of de duivel? Shakespeare verliest in hier ook geen tijd met een exposé – onmiddellijk wordt de sfeer gezet, het thema geïntroduceerd en dramatische spanning gecreëerd: triple whammy.
Qua layout, heb ik voor optimale ‘modernisering’ het formaat van filmscript gekozen. Ik heb een poging ondernomen de tekst met zo weinig mogelijk ingrepen te moderniseren: de originele dialogen (niet de regieaanwijzingen!) zijn in een getranslitereerd Oost-Vlaams dialect waarmee zelfs Vlamingen die niet uit deze regio komen, problemen zullen hebben. Hier een voorbeeld:
Joa ’t zulle… de stroate ligt huel de gans wit, en as ’t nie en woare van ’t laweit van de wind en ’t zijngen van de kinders, g’en zoedt gij gien muizeken mier huere piepen. D’r ligt al ten minste ‘nen halve voet snieuwe. De kinders die nog veur de deuren stoan te zijngen zien d’r hiel de gans wit van, en de dutsen stoan zuedanig te dudderen da z’ er van blitten gelijk gietses. Als ‘k noar hier kwam ben ‘k de sandurms tegengekomen die op ulder nachtronde uitgijngen: ze zagen d’r precies uit lijk spueken onder ulder lange mantels…
Dit werd herschreven naar het volgende:
Ja, hoor… de straat ligt helemaal wit, en als ’t lawaai van de wind en ’t zingen van de kinderen er niet was, je zou geen muisje meer horen piepen. D’r ligt al minstens een halve voet sneeuw. De kinderen die nog voor de deuren staan te zingen, zijn helemaal wit, en de schaapjes staan zo te bibberen dat ze ervan wenen als gieters. Toen ik naar hier kwam, ben ik de politie tegengekomen die op nachtronde ging: ze zagen er net uit als spoken met hun lange mantels…
Vertaal het laatste woord naar het Engels, en vervang dat woord door het Nederlandse woord dat hetzelfde klinkt. Een leuke oefening om je multilinguïstische brein te trainen.
Vul het laatste woord van de zin aan. “Dat woord is altijd het Engelse semantische equivalent van het laatste woord, maar fonetisch de continuering van de syntax.”
Het lijkt makkelijk, maar als je het probeert zal je zien dat nog best kan tegenvallen.
Kees Torn
Met andere woorden: vertaal het laatste woord naar het Engels, en vervang dat woord door het Nederlandse woord dat hetzelfde klinkt. Een leuke oefening om je multilinguïstische brein te trainen.
Hoe gaan we in de klas om met taalvariatie binnen het Nederlands? Zelfs binnen het Vlaamse taalgebied is er steeds meer aandacht voor variatie: dan is vaak regionaal Nederlands, maar soms een soort van Internationaler Vlaams. Dus waarom niet een luisteroefening in Amerikaans Vlaams?
Audiofragmenten
Fragment 1: In LA gelooft men dat gratis appels giftig zijn
Fragment 2: En toen zei God: “Adam, kweeperen gebruik je alleen in taarten”
Fragment 3: Eén kweepeer is nutteloos
Fragment 4: Zitten alle Vlamingen in een kweeperencomplot?