Zoals uitgestippeld en aangekondigd in een eerdere blogpost, is hier het eerste deel van het WW-Traject. Voorlopig zijn er drie oefeningen beschikbaar:
Level 1: onvoltooid tegenwoordige tijd voor werkwoorden met stammen die niet eindigen op -d en bijhorende inversies.
0 stemmen, 0 gem
10
Level 2: enkel werkwoorden met stammen die eindigen op -d
0 stemmen, 0 gem
3
Level 1+2: een mix van de twee bovenstaande oefeningen:
Hier is ultieme werkwoordentest: tien items. Wie alles correct heeft, heeft niets meer bij te leren. Of er instinkers tussenzitten? Neen, het zijn allemaal instinkers.
0 stemmen, 0 gem
75
De problemen met het bestaande werkwoordtraining zoals ik het vaak zie:
Elke werkwoordstijd is een systeem op zich, dat apart begrepen en ingeoefend moet worden.
De stam van een werkwoord is vaak, maar niet altijd gelijk aan de eerste persoon. De eindklank van de stam van zweven is een /v/ en daarom krijgt het een uitgang met d.
De tijden gaan niet alleen over verleden, heden, toekomst maar ook over aspect: beschouwt de spreker het beschrevene als voltooid of is er een effect in het heden (onvoltooid)? ‘Ik heb gedanst’ is een tegenwoordige tijd! Het is wel een voltooide vorm (perfectum): nu heb ik een dansje achter de rug.
’t Kofschip: als leerlingen op het niveau zijn aanbeland dat er ook over morfologie en fonetiek wordt gesproken, mogen ze toch eindelijk wel eens weten waarom de letters in van ’t kofschip zijn wat ze zijn: stemloze medeklinkers.
Modale werkwoorden: jij wil of jij wilt? hij wil of hij wilt? Hier wordt in het algemeen te weinig op geoefend.
Consequente werkwoordsvormen met u, is vaak een probleem. Met u gebruiken we de tweede of de derde persoon, maar wel consequent. Dus niet: u heeft (3e p.) het formulier toch ontvangen en bent (2e p.) ermee naar het postkantoor gegaan.
Werkwoordsvormen zijn, zoals alle talige elementen, onderhevig aan historische evolutie. Voor de werkwoorden hangt die voornamelijk samen met de evolutie van gij naar jij, die in Vlaanderen nooit (volledig) heeft plaatsgevonden. De voornaamste voorbeelden zijn: -t in de imperatief meervoud (neemt allen uw boek) en de -t in de tweede persoon onvoltooid verleden tijd van onregelmatige werkwoorden: Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad (Jes 22:9) of Mijn bozen daân Gij naamt die gunstig weg (1773; Ps 32:3). In deze context is ook te wijzen op de recente evolutie van je kunt/zult naar je kan/zal en de voorkeur voor deze vormen bij de beleefdheidsvorm ‘u’.
Elke oefening op werkwoordspellingtest alleen het beheersen van de regels, niet de toepassing ervan tijdens een realistische schrijftaak.
Wie niet schrijft, maakt geen fouten. Uiteindelijk zijn werkwoordsoefeningen goed om alle kennis correct te ordenen, maar geen garantie op vlekkeloos spellen. Dat weten echter enkel degenen die veel zelf (veel) schrijven – niet alle leerkrachten behoren tot deze groep. Het kan niet dat leerkrachten Nederlands geen boeken lezen, maar het kan wel dat ze nooit een tekst schrijven? Zeker de blinde voltooide deelwoorden: bekend/t, gebeurd/t enzoverder blijven waanzinnige instinkers, omdat hier het absolute paardenmiddel, luidop voorlezen, niet helpt.
Het enige dat nieuw en belangrijk is aan het traject zoals ik het voorstel, is de volgorde van de oefeningen. De methode, indien die naam waardig, zit louter in het apart aanbieden, begrijpen en inoefenen van de verschillende systemen.
INDICATIEF
verleden
tegenwoordig
toekomstig
onvoltooid
ik danste
ik dans
ik zal dansen
voltooid
ik had gedanst
ik heb gedanst
ik zal gedanst hebben
Stappenplan
Indicatief – OTT – dans(t), dansen + alle inversies. Enkel transparante werkwoorden, m.a.w. geen -d op het einde van de stam.
Indicatief – OTT – word(t), worden + alle inversies. Enkel werkwoorden met -d op het einde van de stam.
Mixoefening van 1 en 2 met inversies.
Imperatief met transparante stammen
Imperatief met -d stammen
Mixoefening van de Imperatief 4 en 5
Mixoefening van al het voorgaande
Indicatief – OVT – danste(n), volgde(n)– met werkwoorden zonder -t of -d in de stam
Indicatief – OVT – praatte(n), duidde(n) met werkwoorden met -t of -d in de stam
Mixoefening van 8 en 9
Mixoefening van al het voorgaande
Indicatief – VTT gedanst, gevolgd
Indicatief – VTT of OTT het gebeurt/is gebeurd onzichtbare voltooid deelwoorden
Misschien hebt u nog getwitterd, de wereld was toen simpeler. Iedereen kon het spellen en het bekt ook lekker. Nu hebben we ‘X’, dus nu zijn we aan het x-en?
Misschien hebt u nog getwitterd, de wereld was toen simpeler. Iedereen kon het spellen en het bekt ook lekker. Nu hebben we ‘X’, dus nu zijn we aan het x-en? Ik zet maar intuïtief een liggen streepje om de uitspraak ‘ksen’ ter vermijden. Ondertussen zijn we terug gewoon informatie aan het delen (to share) op dit of dat platform.
Dit neemt niet weg dat er een stroom aan Engelse woorden de Nederlandse taal blijft binnenkomen die steevast vernederlandst worden. Daarom heb ik deze oefening gemaakt, een leuke, soms ietwat absurde oefening waarin we Engelse (werk)woorden tot Nederlandse voltooid deelwoorden proberen te kneden.
We kunnen leerlingen wel trainen in de huidige Engelse leenwerkwoorden, maar hen echt wapenen voor de leenwoorden van volgend decennium, kan alleen maar op deze manier. De eerdere versie van de Onbestaande Werkwoordenquiz toonde al aan dat dit dé manier is om beheersing van de theorie te testen.
Het gebeurt iedereen. Ook bij mij is het al meermaals gebeurd dat ik, tijdens het snelle tikken, die twee vormen door elkaar haal. Hier is een databank van dertig oefeningen in pdf, met de mogelijkheid ze digitaal uit te testen in toetsjes van 5 vragen.
Veel theorie is hier niet te bespreken: we moeten ons er enkel van bewust zijn dat werkwoorden met de prefixen her-, ver-, ont-, ge- geen extra ge- prefix krijgen voor het voltooid deelwoord: herenigd, verrekend, ontmoedigd, gebeurd. Dat maakt dat deze vormen slechts een letter verschillen van de tegenwoordige tijdsvormen voor tweede en derde persoon.
We maken dubbelrietfluitjes van drankstrootjes om de stembanden te simuleren.
Het lesdoel is hier tweeledig: 1) ervaren, zien en begrijpen hoe het stemapparaat werkt en 2) stemhebbendheid vs. stemloosheid van klanken begrijpen.
Elk geluid dat we ervaren zijn luchttrillingen die ons trommelvlies bereiken. Die kunnen door eender wat veroorzaakt worden: zelfs wrijven met je handen doet de lucht voldoende trillen voor jou om het te kunnen horen.
Door een punt aan het rietje te snijden het het plat te duwen, ontstaat een dunne opening waardoor de lucht geperst wordt. Omdat de lamellen dun zijn, openen en sluiten ze heel snel, dit heeft te maken met het ontstaat van onder- en bovendruk. De technische achtergrond wordt hier uitgelegd.
Dieren en mensen hebben, in tegenstelling to insecten, een speciaal apparaat voor het maken van geluid: stembanden. Dit zijn niet meer dan twee spiertjes (je kunt ze opspannen) die samen flapperen door de lucht die erdoor stroomt.
Verdere experimenten kunnen zijn: dunnere en dikkere rietjes, plastic en papier, lang en kort. Elke parameter beïnvloedt de klank op een of andere manier.
Dit is meer dan een speeluurtje:
kennis, hoe theoretisch ook, vertrekt vanuit de ervaring
stemhebbend/stemloos en hoe Nederlands hiermee omgaat, is wat Nederlands van Duits en Engels onderscheid
dit onderscheid ligt aan de grond van de meeste spelproblemen in het Nederlands m.b.t. eindmedeklinkers bij beginnende schrijvers en werkwoordspelling bij iedereen.