WW-Traject: efficiënte werkwoordentraining

Hier is ultieme werkwoordentest: tien items. Wie alles correct heeft, heeft niets meer bij te leren. Of er instinkers tussenzitten? Neen, het zijn allemaal instinkers.

0 stemmen, 0 gem
67

Je hebt 100 seconden voor 10 meerkeuzevragen.

De tijd is op! Helaas pindakaas…


Aangemaakt op Door Johan B

WW-traject: teaser

De 10 allermoeilijkste dt-opgaven

1 / 10

Naar … zijn er problemen op de E40.

2 / 10

Zeg, Smulsmurf, heb jij misschien gisteren alle smurfbessen …

3 / 10

Heb jij wel eens, zo als bijverdienste, … ?

4 / 10

… u tot de buschauffeur voor meer informatie.

5 / 10

Als dat …, is het niet mijn schuld.

6 / 10

Ik, die zoveel van bloemen …, bedank jullie allemaal voor dit prachtige geschenk!

7 / 10

Hij … een nieuwe auto kopen.

8 / 10

Gij allen, broeders, gaat heen en … het woord van Christus.

9 / 10

Het ongeval is op een zondagochtend om 5u in de dichte mist …

10 / 10

… je hond ook door die vervelende buurtkater lastiggevallen?

Je score is

De gemiddelde score is 70%

0%

Feedback is altijd welkom…

Bedankt om tijd uit te trekken voor feedback. Dit wordt zeker in rekening genomen.

De problemen met het bestaande werkwoordtraining zoals ik het vaak zie:

  1. Elke werkwoordstijd is een systeem op zich, dat apart begrepen en ingeoefend moet worden.
  2. De stam van een werkwoord is vaak, maar niet altijd gelijk aan de eerste persoon. De eindklank van de stam van zweven is een /v/ en daarom krijgt het een uitgang met d.
  3. De tijden gaan niet alleen over verleden, heden, toekomst maar ook over aspect: beschouwt de spreker het beschrevene als voltooid of is er een effect in het heden (onvoltooid)? ‘Ik heb gedanst’ is een tegenwoordige tijd! Het is wel een voltooide vorm (perfectum): nu heb ik een dansje achter de rug.
  4. ’t Kofschip: als leerlingen op het niveau zijn aanbeland dat er ook over morfologie en fonetiek wordt gesproken, mogen ze toch eindelijk wel eens weten waarom de letters in van ’t kofschip zijn wat ze zijn: stemloze medeklinkers.
  5. Modale werkwoorden: jij wil of jij wilt? hij wil of hij wilt? Hier wordt in het algemeen te weinig op geoefend.
  6. Consequente werkwoordsvormen met u, is vaak een probleem. Met u gebruiken we de tweede of de derde persoon, maar wel consequent. Dus niet: u heeft (3e p.) het formulier toch ontvangen en bent (2e p.) ermee naar het postkantoor gegaan.
  7. Werkwoordsvormen zijn, zoals alle talige elementen, onderhevig aan historische evolutie. Voor de werkwoorden hangt die voornamelijk samen met de evolutie van gij naar jij, die in Vlaanderen nooit (volledig) heeft plaatsgevonden. De voornaamste voorbeelden zijn: -t in de imperatief meervoud (neemt allen uw boek) en de -t in de tweede persoon onvoltooid verleden tijd van onregelmatige werkwoorden: Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad (Jes 22:9) of Mijn bozen daân Gij naamt die gunstig weg (1773; Ps 32:3). In deze context is ook te wijzen op de recente evolutie van je kunt/zult naar je kan/zal en de voorkeur voor deze vormen bij de beleefdheidsvorm ‘u’.
  8. Elke oefening op werkwoordspelling test alleen het beheersen van de regels, niet de toepassing ervan tijdens een realistische schrijftaak.
  9. Wie niet schrijft, maakt geen fouten. Uiteindelijk zijn werkwoordsoefeningen goed om alle kennis correct te ordenen, maar geen garantie op vlekkeloos spellen. Dat weten echter enkel degenen die veel zelf (veel) schrijven – niet alle leerkrachten behoren tot deze groep. Het kan niet dat leerkrachten Nederlands geen boeken lezen, maar het kan wel dat ze nooit een tekst schrijven? Zeker de blinde voltooide deelwoorden: bekend/t, gebeurd/t enzoverder blijven waanzinnige instinkers, omdat hier het absolute paardenmiddel, luidop voorlezen, niet helpt.

Het enige dat nieuw en belangrijk is aan het traject zoals ik het voorstel, is de volgorde van de oefeningen. De methode, indien die naam waardig, zit louter in het apart aanbieden, begrijpen en inoefenen van de verschillende systemen.

INDICATIEFverledentegenwoordigtoekomstig
onvoltooidik dansteik dansik zal dansen
voltooidik had gedanstik heb gedanstik zal gedanst hebben

Stappenplan

  1. Indicatief – OTT – dans(t), dansen + alle inversies. Enkel transparante werkwoorden, m.a.w. geen -d op het einde van de stam. 
  2. Indicatief – OTT – word(t), worden + alle inversies. Enkel werkwoorden met -d op het einde van de stam. 
  3. Mixoefening van 1 en 2 met inversies. 
  4. Imperatief met transparante stammen
  5. Imperatief met -d stammen
  6. Mixoefening van de Imperatief 4 en 5
  7. Mixoefening van al het voorgaande
  8. Indicatief – OVT – danste(n), volgde(n)– met werkwoorden zonder -t of -d in de stam
  9. Indicatief – OVT – praatte(n), duidde(n) met werkwoorden met -t of -d in de stam
  10. Mixoefening van 8 en 9
  11. Mixoefening van al het voorgaande
  12. Indicatief – VTT gedanst, gevolgd
  13. Indicatief – VTT of OTT het gebeurt/is gebeurd onzichtbare voltooid deelwoorden
  14. Vervoeging van leenwerkwoorden
  15. Onbestaande voltooide deelwoorden
  16. Finale Supermix oefening

Kennis is een product van vaardigheden

Het enige dat is weet, is dat ik niets weet (Socrates)

“Het enige wat ik weet, is dat ik niets weet. Ik moet alles altijd opnieuw onderzoeken,” is een citaat dat aan Socrates wordt toegedicht. Dat is zeker niet correct: het staat niet in de bekende dialogen van Plato.

Die kennis heb ik omdat ik nu zelf op digitale wijze de teksten van Plato kan doorzoeken en dat ook gedaan heb. Een verdere stap zou zijn zoeken waar het citaat dan wel voor het eerst in tekst voorkomt. Misschien ligt er nog ergens een dialoog onontdekt in een bestofte kast, dus als ik mij dezelfde vraag over vijf jaar stel, zal ik het weer opnieuw moeten onderzoeken.

Het inzicht kwam tot mij toen een vriendelijke collega mij zei “ik probeer gewoon wat kennis door te geven” en ik antwoordde met “Tuurlijk!” terwijl ik dacht: “man, wie denk jij dat je bent, als ik informatie moet hebben dan ga ik die wel zelf zoeken en het enige wat ik aan mijn leerlingen wil doorgeven is de vaardigheid om met de massa aan informatie op een productieve manier om te gaan. Weinig verrassend dat ik over dezelfde leerkracht hoorde dat hij ooit valse informatie aan Wikipedia had toegevoegd om zijn leerlingen een hak te zetten: ik noem dit een kennisterrorist.

Socrates

Natuurlijk is Wikipedia verre van perfect, maar iedereen die klaagt dat hij fouten gezien heeft en ze niet verbetert, heeft geen excuus. Eigenlijk begint kennis op Wikipedia pas bij de voetnoten. Het zou mooi zijn als Wikipedia via een AI toepassingen de kwaliteit van het artikel zou ‘raten.’ Het aantal verschillende bronnen zou een belangrijke factor zijn.

Kennis wordt vaak gelijkgesteld aan het memoriseren van termen, teksten, schema’s, modellen. Is het omdat ook universiteiten dit als het criterium zien om het kaf van het koren te scheiden? Dit is duidelijk niet de manier waarop experts hun kennis opbouwen: iemand wordt pas een goed arts na heel veel praktische ervaring en contact met vele patiënten (dan nog in een beperkt gebied). De kennis van een longarts bijvoorbeeld komt door het jarenlang onderzoeken van patiënten, het opzoeken van informatie, het doen van tests en het bespreken met collega’s. Dan spreken we over kennis.

Onderwijs moet zich focussen op het verwerven van vaardigheden die tot kennis kunnen leiden: lezen, luisteren, opzoeken, verifiëren, toepassen, bijsturen. Het is een actief proces: niet het volgieten van een leeg glas.

Woorden hebben geen betekenis, ze krijgen het in context

We weten allemaal wat het woord ‘vroedvrouw’ betekent: het is een vrouw die helpt bij de geboorte van kinderen. Die betekenis lijkt eenduidig en duidelijk en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat dit woord ooit een radicaal andere betekenis zou hebben. Ziehier de advertenties van Het Handelsblad uit 1923:

De handel in oude tanden (lees: edelmetalen) buiten beschouwing gelaten is het onmiddellijk duidelijk dat dit geen gewone vroedvrouwen zijn. Alle drie vermelden ze ‘geheime raadpleging’ of ‘geheimhouding’. Uiterst vreemd, iedereen ziet toch dat de dames zwanger zijn aan hun buik als ze gaan bevallen? Ook heel vreemd dat ze open zijn “zondags (tot 2 uur)” want als het tijdstip van bevallen heb je nu eenmaal niet te kiezen.

Het is ondertussen wel duidelijk dat dit de adressen (voor de gemakkelijkheid in de buurt van stations) zijn van abortusklinieken. Het woord ‘vroedvrouw’ in deze advertentie betekent gewoon het tegenovergestelde van wat we oorspronkelijk dachten dat het betekende en de gemiddelde taalgebruiker kan dit zien. De betekenis van woorden wordt altijd mede bepaald door de context. Omgeven door andere woorden zoals ‘geheimhouding,’ ‘enkel op zondag’ maken duidelijk dat het niet over een gewone vroedvrouw gaat.

Dit is een simpele leesoefening, maar wie ze doet, ziet met eigen ogen:

  • dat zwangerschapsonderbreking bestaat of het nu wettelijk geregeld is;
  • dat woorden op radicaal on-eigenlijke manieren kunnen gebruikt worden;
  • dat radicaal oneigenlijk gebruik van woorden een symptoom kan zijn van radicale hypocrisie.

Als het klasgemiddelde een buis is, dan is die voor de leerkracht

Natuurlijk heeft Filip Moons helemaal geen ongelijk als hij stelt dat klasgemiddelden niet alles zeggen over de prestatie van uw kind, maar een pleidooi voeren om het gewoon weg te laten en de ouders minder informatie te geven, is in dit informatietijdperk uiterst verdacht. Zijn nogal sofistisch argument tegen klasgemiddelden laat onmiddellijk zijn ware gelaat zien in de keuze van fictieve puntenreeksen.

We kunnen het spelletje dat Moons speelt, omkeren. Uw zoon of dochter komt thuis met 40%. Dat is gewoon slecht, daar heb je het klasgemiddelde toch niet voor nodig? Dat is correct: dit is een mogelijk hinderpaal voor het slagen in dit studiejaar, los van wat anderen gepresteerd hebben. Iemand die 55% haalt op een examen, heeft toch nooit iets te vieren? Dit is met de hakken over de sloot, daar hoeven we het gemiddelde niet voor te kennen.

Hier een echte puntenreeks voor Frans, 6 Humane Wetenschappen.

Het minste dat men kan zeggen is dat er iets misgelopen is in het pedagogisch proces. De vraag is nu waar het is fout gegaan. Zelfs de besten hebben 40% van de leerstof niet verwerkt?

Het klasgemiddelde zegt veel meer over de prestaties van de leerkracht i.v.m. het bijbrengen van vaardigheden en kennis. Natuurlijk hangt het resultaat ook af van de medewerking van de leerlingen, maar die hebben niet alles in de hand. De keuze van vraagstelling op het examen, de manier van examineren, het niveau van de opdrachten, zijn allemaal factoren die ook een impact kunnen hebben.

Als ik hier pleit voor het behouden van de gemiddelden op rapporten, is dat niet omdat het alles zegt over de prestaties van de leerling. Voor de positieve resultaten (+50%) is het wellicht compleet irrelevant, maar niet wanneer de leerling niet geslaagd is.

Wat de auteur ook niet lijkt te begrijpen is dat ouders wel weten dat resultaten enkel te vergelijken zijn tussen leerlingen die dezelfde lessen, dezelfde leerkracht en hetzelfde examen hebben gekregen. Zijn pleidooi dat de dochter die onder het gemiddelde scoort, misschien beter is dan de zoon die erboven zit, is voor iedereen nogal duidelijk. Alles hangt in Vlaanderen uiteindelijk van de leerkracht af.

Heel vreemd is ook de conclusie van Moons’ artikel: als je het gemiddelde dan toch wilt behouden, “vul het gemiddelde dan aan met informatie over spreiding, uitschieters,.. om een goed beeld te krijgen van de puntenverdeling.” Als spreiding van de scores belangrijk is om een goed beeld te krijgen van puntenverdeling, waarom raad men dit niet aan voor iedereen?

Hier lijkt het toch duidelijk een eerder politieke stellingname tegen N Va minister Weyts, dan een overdachte alternatieve benadering van het communiceren over de prestaties van de leerlingen. Moons’ politieke signatuur blijkt geen geheim. Hij zetelt dan ook in de ontwikkelingscommissie eindtermen wiskunde.

Het gemiddelde zegt lang niet alles, dus we geven best minder informatie? De enige reden dat scholen de gemiddelden willen weglaten, is om het flateren van leerkrachten te verdoezelen. Uiteindelijk is het altijd toch de leerkracht die verantwoordelijk is voor het leertraject.


Klassieke Nederlandse zinsontleding is onwetenschappelijk

Toen ik in 1992 aan de KU Leuven Germaanse talen studeerde, was het buisvak natuurlijk de zinsontleding, die voor de helft van de studiepunten van het vak Nederlandse Taalkunde I meetelde. Prof. G. Geerts kwam in de grote aula zijn handleiding voorlezen en verder was er een vette bundel met oefeningen (en oplossingen) en de sympathieke monitor Jos Creten waar je altijd mocht gaan oefenen en zelfs van hem een sigaartje aangeboden kreeg. Ja, die tijd…

Na dit eerste semester was (en is het nog steeds, denk ik) gedaan met met de klassieke Latijnse syntaxis toe te passen op het Nederlands. Zelfs de studenten die in de verdere jaren louter voor taalkunde kiezen, hebben nooit nog te maken met het onderscheid tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde.

Veel van de klassieke syntaxis wordt door niemand in vraag gesteld, maar dit laatste onderscheid is wat Nederlands voor iedereen toch een beetje een wereldvreemd vak maakt. Ik herinner mij nog heel goed het 2e studiejaar en de oefeningen en hoe vreemd en onlogisch ik het toen al vond dat in sommige zinnen gesproken werd van een ‘gezegde’ en anderen van een lijdend voorwerp. Dat gewoon omdat er een andere werkwoord in de zin stond?

Categorieën uit het traditionele ontleden vallen soms niet samen met de constituenten uit de moderne taalwetenschap (bijvoorbeeld het gezegde is geen constituent)

Wikipedia, Zinsontleding.

Een gezegde is geen constituent omdat het geen empirische realiteit is. Het onderwerp is dat wel, want er kan door de verplaatsingsproef aangetoond worden dat dit een entiteit op zich is. Deze test kun je niet met een gezegde, dat daarom geen zinsdeel is. Verder vermengt het concept van gezegde grammatica met semantiek. Dat zijn, worden, blijken, schijnen enzoverder koppelwerkwoorden zijn, heeft niets met de grammatica te maken, maar louter met de betekenis van die werkwoorden. Semantiek of betekenisleer en syntaxis of zinsbouw zijn voor de moderne taalkunde onderscheiden studiegebieden.

Verder ontmantelt het begrip naamwoordelijk gezegde zichzelf, omdat in sommige werkwoordelijke gezegdes er wel naamwoordelijke delen zitten die essentieel deel uitmaken van het gezegde. Dit is het geval voor de vele werkwoordelijke uitdrukkingen. In de zin Hans geeft de pijp aan Maarten spreken we van een werkwoordelijk gezegde, maar het gezegde bevat duidelijk naamwoordelijke delen: pijp, Maarten. Daarom heeft de ontleding de term werkwoordelijke eindgroep ingevoerd en dat leidt de aandacht af van de naamwoordelijke delen. Eigenlijk functioneren zulke uitdrukkingen als naamwoordelijke gezegdes, die niet volledig zijn met simpelweg het werkwoord.

De traditionele grammaticale ontleding heeft vanaf het begin een didactisch en niet een wetenschappelijk oogmerk gehad. Vooral in het vreemdetalenonderwijs, met name voor de studie van het Latijn en Grieks was de functie van een woord in een zin van groot belang (bijvoorbeeld voor het vaststellen van de juiste naamval).

Wikipedia, Zinsontleding.

Het zinnen ontleden is dus ontstaan als een soort van oefenen om de functies van de verschillende delen van de zin te bepalen. Dit werd gezien als een goede voorbereiding voor wanneer de kinderen later Latijnse zinnen gingen lezen. Latijn kun je alleen maar lezen als je de naamvallen kunt ontcijferen, want die duiden aan wat de functie van dat woord in de zin is.

Voor het Nederlands voelt toch ieder kind aan wat de functie van een zinsdeel aan en kent het verschil tussen De koe bijt een hond en De hond bijt een koe? Zelfs zinnen met woorden die je niet kent, “De garf mukt een tuik” kun je ontleden omdat in de moderne talen de volgorde van de woorden van belang is voor de functie. In bovenstaande zin is het voor iedereen duidelijk dat de gnarf iets doet en dat de tuik die activiteit ondergaat.

Zinsontleding in de moedertaal is zoals Alice, die de muis tegenkomt aan het begin van Alice in Wonderland. Ze vraagt zich af hoe een muis aan te spreken, herinnert zich de Latijnse grammatica van haar broer en de vertaling van de vocatief als “O mouse”. Zelfs in het Latijn is de vocatief hetzelfde als de nominatief, leerde 4 Grieks-Latijn mij toen we Alice lazen. Een hele ingewikkelde, schoolse redenering om uiteindelijk bij iets uit te komen wat dat we al misten: je spreekt een muis aan met muis, natuurlijk.

Het zou toch wel handig zijn, die zinsontleding, bij het bestuderen van andere talen. Deze uitspraak is niet incorrect, maar geenszins van toepassing op andere moderne talen. Frans, Engels en zelfs het Duits, dat veel naamvallen behouden heeft, gebruiken net als het Nederlands woordvolgorde om de functie van woorden te bepalen. Het heeft zijn voordeel bij het leren van Latijn, in zoverre het wordt ingeoefend voor er met Latijn wordt begonnen en dan nog is de procedure helemaal niet hetzelfde.

De online beschikbare Algemene Nederlandse Spraakkunst, bevat een deel traditionele zinsontleding en een modern deel met constituentenleer. Indien het onderwijs vooruit zou willen gaan en leerlingen wetenschappelijk verantwoorde inzichten zou willen bijbrengen, zou dit de basis voor grammaticaonderwijs moeten zijn. Dit is reeds het geval in alle Engelstalige grammatica’s, voor de andere talen ben ik niet op de hoogte. Of dat in Vlaanderen ooit gaat veranderen, is nog de vraag. Het lijkt wel taboe: niemand spreekt hierover, terwijl er zoveel gesproken wordt over vernieuwing in het onderwijs.

De conclusie blijft onthutsend: op het vlak van de grammatica zitten we op school nog in de 19e eeuw. De verdere conclusie is nog hallucinanter: het onderwijs is niet in staat tot vernieuwing, want de grammatica die wordt gegeven weerspiegelt nog die van de tijd toen het onderwijs zoals we het nu kennen, ontstond.

Dit is geen pleidooi tegen grammatica, verre van, het is een pleidooi voor het onderwijzen van wetenschappelijk onderbouwde grammatica. Niet alleen is dat op zich een nastrevenswaardig doel, het zal er ook toe leiden dat grammaticaonderwijs, voor de ouderwetse scholen die daar nog aan houden, veel te gemakkelijk wordt om nog tijd aan te besteden. Dat het makkelijker zal worden als niet meer naar het onderscheid tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde wordt gevraagd, wil zelfs zeggen dat het intuïtieve begrip van de leerlingen van taal dichter bij de wetenschappelijk correcte visie ligt dat het model wat op school wordt aangeboden.

Wie de links op de website van de ANS volgt, komt terecht op een klein kamertje 6.07 van de Radboud Universiteit Nijmegen. Van alle departementen Nederlandse taalkunde over de lage landen zijn er misschien 2 mensen (deeltijds) bezig met hedendaagse grammatica. Alle andere taalkundigen zijn met meer sociaal relevante taalkundige thema’s bezig. Ik stel voor dat de scholen dit voorbeeld volgen.