…of zelfs voor Oxem of Ossem, maar niet voor ‘Hoksem’.
In een recente blogpost van de plaatselijke schepen van cultuur, wordt de interessante kwestie aangekaart van de dubbele spelling van de Hoegaardse deelgemeente Hoksem/Hoxem. De gemeentesecretaris, die deze gorgiaanse knoop mag doorhakken, schrijft:
Hoksem is correct (Hoxem staat nog ten onrechte op sommige signalisatieborden en wegwijzers) Hoxem is de oude schrijfwijze (…).
Er wordt niet vermeld wanneer de naamsverandering gebeurd is. Het is makkelijk om te stellen dat Hoksem de huidige correcte spelling is, maar daartoe moet dan toch op een bepaald moment een beslissing gevallen zijn in het vrij recente verleden. Daarvoor werd het honderden jaren lang wel met een x gespeld.
x in het Middelnederlands
Het gaat mij minder over de kwestie van wat nu de correcte naam is (dat is een afspraak), maar wel over de tendens en het onderliggend idee. Dat betreft de idee dat een spelling van een Vlaamse plaatsnaam met x, onnatuurlijk, oud of ‘Frans’ zou zijn. Deze gedachte is verleidelijk, in soms onvermijdelijk en historische incorrect. Het verzet tegen het gebruik van letters zoals x en q is geïnspireerd door de vergissing als zouden deze letters, als ze in het Nederlands voorkomen, altijd Franse invloed verraden.
Daarom wil ik graag even een kijken nemen in een van de hoekstenen van de Nederlandse cultuur, de Reynaert. Ik wil even in herinnering brengen dat we hier spreken over Nederlands, maar dat alle middelnederlandse teksten waarover we beschikken van Zuid-Nederlanse orgine zijn (uit ‘Vlaanderen). Over de kwestie dat ‘Vlamingen’ de taal die vroeger Diets en nu Nederlands heet veel meer hebben gevormd dan de mensen van boven de Moerdijk, is een andere kwestie, maar blijft het vermelden waard.
Hoe zit het met de spelling van de auteur van de Reinaert? Gebruikt hij de ‘onnederlandse’ x? Jawel: als zijn verhaal echt begint, r.41 lees je al: het was in eenen tsinxen daghe (het was in de periode rond pinksteren) en verder r. 48 doe quamen tes sconinx hove (toen kwamen aan het hof van de koning). Het wordt snel duidelijk als je de digitale tekst doorzoekt, dat de auteur geen enkele keer ks spelt, maar consequent een x gebruikt.
Een ander voorbeeld is in Beatrijs: hoe vele gheluux ende onghevals (hoeveel van het geluk en de ongevallen) (r.60); tfensterkijn, dat met yseren banden / dwers ende lanx was bevlochten (het venstertje dat met ijzeren banden dwars en overlangs was afgespannen); anxt (angst) (r.632). De x komt maar drie keer in de tekst voor, maar nergens vind ik -ks gespeld. Er zijn nog talrijke voorbeelden aan te halen, maar het zal steeds duidelijker worden dat de middeleeuwse kopiisten consequent de x gebruiken daar waar ze ks horen. Eigenlijk is dat maar slim ook: je moet een letter minder schrijven, tegelijkertijd benut je het volledige alfabet. Dat is belangrijk: alles is er met een doel, want het komt van God en wijst naar hem terug. Tekst, woorden en letters zijn voor de middeleeuwse kopiist niet zomaar ‘gebruikvoorwerpen’, maar heilige gegevens. Voor de gewone middeleeuwse mens was het gewoon toverij. Zo zijn personen die een boek bezitten in volksverhalen en sprookjes, bijna per definitie tovenaars.
De kaart van Ferraris
De x in de Middelnederlandse teksten is net zoals de x in Hoxem geen resultaat van Franse invloed op een bepaald moment in de geschiedenis, maar absoluut origineel. Ik heb dit niet nagekeken, maar als men de archieven zal nagaan, zal men zelf in de oudste middeleeuwse documenten Hoksem met x vinden. Of correcter: Hoxhem.
Kaart van Ferraris (1777), eerste echte kaart van onze gebieden.
De Ferrariskaart vermeldt geen alternatieve vorm voor Hoxhem, zoals het wel doet voor Meldert (Maillard), een naam die nu nog onder exact die vorm in voege is. Door die verrassende h in de Ferraris, wordt wel onmiddellijk ook de etymologie duidelijk:
Hoksem – Hoxhem – Hoxheim – Ox-heim
 Voor de oorsprong (H)ox ben ik minder zeker dan van het feit dat het -hem suffix een oorsprong in -heim suggereert. Alleszins heeft, ook naar de reactie van de inwoners te horen, de x altijd in Hoxem gestaan. De vraag die eigenlijk moest gesteld worden is: wie heeft Hoksem uitgevonden? Want terwijl we zeker zijn dat de x-vorm doorheen de geschiedenis gebruikt is geweest, heeft er iemand op een bepaald moment ingegrepen om de spelling te vervlaamsen, terwijl dat niet nodig was. De onderliggende motivatie voor deze puristische verandering kan enkel de historische vergissing zijn dat Hoxem een Franse vorm is. Vergelijk dit met de tweetalige naamaanduiding voor Meldert.
De verdere bemerking van de gemeentescretaris, die de vergelijking maakt met Hauthem, zegt
we zouden theoretisch ook Hauthem moeten omvormen naar Houtem, maar dat doen we dus niet om verwarring met het Tiense Houtem te vermijden.
maart vergeet te vermelden dat ook Hauthem een aantal keer is aangepast sinds de Ferrariskaart van 1777: die vermeldt Hatem, zelfs zonder h achteraan.
Gelukkiger is het lot van Oorbeek: op de Ferrariskaart merken we nog de oude, vergeten spelling van de lange klinkers door toevoeging van een andere medeklinker: Oirbeeck. Dit kennen we nog in namen zoals Claes (lange a) en Van Goidsenhoven (lange o), al is deze laatse vorm minder frequent. Het is dan ook wel te betreuren dat het Tiense stadsbestuur op een bepaald moment de naam van de deelgemeente heeft veranderd naar het compleet ongefundeerde Goetsenhoven, terwijl de enige historisch correcte vorm wellicht Goodsenhoven zou zijn. Al even vergeetachtig is de Leuvenaar die denkt dat Stella iets te maken heeft met het Franse geslacht Artois, of een teken was van de verfransing in Leuven op z’n minst, terwijl dit gewoon de oude spelling van de oerbrabantse naam Artoos.
Hoge akkers
Ik vermeld deze historisch ongebaseerde oe-klank in Goetsenhoven (door onwetendheid ingevoerd) om te komen tot een conclusie over de oe-klank in Hoegaarden. Nog een blikje op de Ferrariskaart kan enig licht werpen.
‘Hougaerde’ op de kaart van Ferraris (1777)
Wel komen hier tot een vreemde constatatie: de naam wordt hier met ou- [au] gespeld, een tweeklank in het Nederlands, maar uitgespreken als oe [u] in het Frans. De spelling van ou vindt waarschijnlijk haar oorsprong in de dialectische uitspraak van de naam Hoo(g)gaarden. Het lokale dialect heeft de neiging te diftongeren: lange klinkers worden tweeklanken: de boowm is hoowg, of beter nog: de boum is oug. Een andere belangrijk kenmerk van het Brabants dialect in deze contreien is immers het onderdrukken van de h wanneer deze niet wordt voorafgegaan door een klinker. Dit fenomeen staat ook wel bekend als het Kwak-en-Boemel syndroom voor lezers van Jommeke. De h wordt niet uitgesproken waar ze hoort en -dit is belangrijk- wel waar ze niet hoort. Dit verklaart ook de aanwezigheid van de eerste h in Hoksem.
Een van de weinige originele vormen van verkiezingsdrukwerk uit Hoegaarden, getiteld “Hoegaards mag!”
Er zijn echt wel dingen die je niet kunt leren op wikipedia, zo blijkt: nu weet ik tenminste dat het lokale dialect zichzelf als Oogets, [H]o(e)g(a->e)[r]ts benoemt. Dit bleek echter niet helemaal correct: het zou Ougets moeten zijn omdat het Hoegaards de lange klinkers tot tweeklanken maakt, zoals ook verder in het gazetteke blijkt:
“Op onze lijst staat zowat allerlei: de burgemeester en de schepenen natuurlijk, …”
Let vooral op de ingekowzene, dat evengoed als ingekouzene had kunnen gespeld worden. Dit proces zet zich door in alle lange o’s, dus eigenlijk ook in Ougere (Hoegaarden) en Ougets (Hoegaards). Dat de naam van het dorp in de Ferrariskaart met ou wordt gespeld is dan ook logisch, iedereen weet wel dat het van Hooggaarden komt, maar de oo wordt lokaal nu eenmaal als ou uitgespreken.
Het onderwijs doet ons geloven dat we vooruit kunnen geraken in het leven. Misschien leer je ondertussen ook een integraal berekenen, een Latijnse spreuk of de hoofdstad van Mongolië, maar tot een bepaald idee ben je steevast geprogrammeerd na een (min of meer) succesrijke schoolcarrière: er is een weg uit de modder, plakt die nu onderaan je schoenen of net onder je kin.
Elke hedendaagse pedagogische discussie is als een koffietafel na een begrafenis waar wel slecht wordt gesproken over de overledene. Een gezellig familiaal samenzijn ter ere van de dood van het grootste onmens ter wereld, een ontmoeting met duistere onbekenden waarvan je enkel weet dat zij hetzelfde zielengeheim meedragen. En dat is het enige wat je bindt aan andere mensen, aan elke andere mens. Iedereen is door dezelfde ideologie (ge/mis)vormd.
We durven ons niet voorstellen wat er van ons was geworden, hadden we onze school niet afgemaakt.
En onder degenen voor wie het een lijdensweg was, zijn er slechts enkelen in staat om hun stem laten horen.
Het onderwijs doet ons geloven dat we vooruit kunnen geraken in het leven. Misschien leer je ondertussen ook een integraal berekenen, een Latijnse spreuk of de hoofdstad van Cambodja, maar tot een bepaald idee ben je steevast geprogrammeerd na een (min of meer) succesrijke schoolloopbaan: er is een weg uit de modder, plakt die nu onderaan je schoenen, of net onder je kin.
De school als informatie-instituut
Als je je in de jaren vijftig afvroeg of de Côte d’Or echt bestond zat er maar een ding op: vragen aan de onderwijzer of de pastoor – zij hadden de kennis. Nu kijk je via de Wikipedia app op je smartphone. En je ontdekt met een extra klik dat de chocolade niets met het land te maken heeft. De pastoor is dus niet zonder reden uitgestorven en het is geen wonder dat de laatste exemplaren hun dagen sleten in scholen. Dat de hedendaagse leerkracht niet meer is dan een geseculariseerde pastoor die waarheid verkondigd die op straat voor het grijpen liggen, wordt op angstaanjagende wijze geïllustreerd door de klasopstelling die nog altijd het uitgangspunt is van het modern secundair onderwijs: de Latijnse mis. Vooraan staat er eentje met z’n rug naar je toe onbegrijpelijke brabbel te vertellen, maar dat maakt niet zoveel uit als je maar ten gepaste tijden zonder begrip kunt namuilen.
Het inherente romantische idealisme van het onderwijs
Elk pedagogisch onderzoek met wetenschappelijke pretenties kan zich nooit losmaken van het feit dat de pedagogie bij uitstek een romantische wetenschap is. De enige wetenschappelijke inslag die deze discipline zou kunnen hebben, wordt momenteel door de sociologie en de psychologie voldoende behandeld en als de discipline de laatste twintig jaar overleeft heeft, zal dat enkel door haar plat romantisch conservatisme. Terwijl departementen sociologie en a fortiori, psychologie, zich hebben moeten plooien naar de eisen van de harde wetenschappen, lijkt de pedagogie zich meer en meer als een menswetenschap van het laagste wetenschappelijk allooi te vertonen.
Het gaat, concreter gesproken, over deze idee: het kind is een doel-op-zich, het kind is niet gewoon een ‘nog niet volgroeide volwassene’, maar iets bijzonders. Het kind is niet een middel tot een doel (werkkracht, inkomen, genealogie, levensverzekering, …) maar iets wat omwille van zichzelf gerespecteerd dient te worden. Dit lijkt voor ons allen een evidentie, maar men vergeet dat er tijden waren wanneer het verlies van het enige paard erger gevonden werd dan het verlies van een van de vele kinderen. Geen paard betekende soms geen inkomsten en dus geen eten voor het ganse gezin.
Het onderwijs is ook altijd romantisch van inslag: het gelooft in de ultieme maakbaarheid van de mens. We betalen geen €10.2 miljard belastingen in Vlaanderen aan onderwijs omdat we genoegen stellen met “word wat je bent” (slogan van de steinerscholen), liever “word wat je wilt.” Vroeger, als een kind blind geboren werd, wist de moeder: dat wordt een mandenvlechter.
Wij hebben gelukkig een maatschappij waarin zelfs blinden niet veroordeeld worden tot een vooraf bepaalde toekomst, ondanks zo’n ingrijpende beperking. Wie niet gelooft in vooruitgang, hoeft niet te geloven in onderwijs. En de eersten die niet geloven in vooruitgang, zijn natuurlijk zij die al ‘vooruit’ zijn.
Dode kennis
Het onderwijs is dood, maar nog niet begraven. Stel je voor: een 12-jarige knul heeft talent voor programmeren en steekt alle leerkrachten en volwassenen de loef af. Dat wil zeggen dat hij nog 10 jaar naar school moet om dingen te leren die gedateerd zullen zijn wanneer hij in de praktijk komt.
Dit is een extreem voorbeeld, maar het geldt op alle vlakken: de kennis en methodes evolueren zo snel, dat scholing altijd een anachronisme is geworden. Wij leerden bij aardrijkskunde een reisroute te plannen, dat was pas interessant en bruikbaar, dachten wij. Toen kwam de gps.
Dan hoor ik in de leraarskamer nog lerares aardrijkskunde, mevrouw Droghepruym, “Ja, maar da’s wel goed dat ge dat kunt voor als uwe gps kapot is.” Ik zei: “Mevrouw, dankzij mijn gps oefen ik tijdens elke autorit in het werken met kaarten, weet ik steden beter liggen dan ervoor en verbruik ik minder benzine.” Haar leerlingen moesten het toch kennen voor het examen, ocharme.
Misschien is het steineronderwijs (dat zweert bij bejaardenballet voor jongeren, koperslagen en wol spinnen) anachronistisch in deze zin, maar het geldt ook voor het traditionele onderwijs. Ze doceren alsof we nog in de jaren ’50 leven: dode stof waarvan de leerlingen (terecht) de relevantie niet zien. Ondertussen zitten zij onder de bank met hun smartphone op facebook, terwijl de leerkracht aardrijkskunde hen op dat moment in een bos zou kunnen aanleren hoe je je met behulp van gsm/gps in het bos kunt oriënteren. Het is niet onmogelijk dat zo’n les iemands leven redt. Is dat inhoud en waarden genoeg, mijnheer de minister?
De school van de dood
Finland heeft het beste onderwijs van Europa en het hoogste aantal zelfdodingen onder jongeren. Sommige politici beweren dat de OESO statistieken aantonen dat Vlaanderen (sic!) bij de beste onderwijsverstrekkers is — dat is niet zo makkelijk uit de statistieken te concluderen. We zijn wel nummer twee wat betreft zelfdodingen.
Deze twee factoren hebben geen enkel causaal verband, maar ik zou het onderwijsbeleid misschien wat meer gecentreerd willen zien rond die droeve cijfers. Ik bedoel daarmee het volgende: het is niet de rol van het onderwijs een soort van feel good atmosfeer te creëren en een politiek correct bestel waarin iedereen “het eigenlijk even goed doet.” Er moet daarom diepgaande diversifiëring komen van de opleidingen en een radicale schoonmaak van het lerarencorps d.m.v. evaluatie door de leerlingen. Enkel dan zullen leerkrachten zich echt allemaal moeten inspannen om het beste uit elke leerling naar boven te brengen. En misschien is de waardenschaal van de huidige jongeren niet dezelfde als de onze, het wordt die van de toekomst. Sommigen binnen het onderwijs noemen dit een mythe, maar dat men zich in het onderwijs nog in de jaren ’50 acht, dat wisten we al. Er is enkel een online platform voor nodig en dit kost niets tegenwoordig.
De school is al een marktplaats met veel oren naar zij die het voedsel betalen, maar niet naar zij die het moeten eten. Ik denk dat het belang van de mening van jongvolwassenen evenredig is aan de aandacht die eraan wordt gegeven en dat het een mythe is dat alle jongeren kiezen voor de gemakkelijkste weg of niets zouden willen leren. Ze weten beter dan de volwassenen dat ‘schools leren’ vrijwel nutteloos is.
De niet te stoppen vooruitgang: “Djiezes!!! Me pa kan nie googlele”
Neen, mijnheer de directeur, Branco komt niet naar school, hij is voor mij op het internet aan het googelen om mijn grasmaaier te repareren. En hij moet nog opzoeken welke voeding sanseveria’s nodig hebben. Ik moet ben tuinarchitect en moet naar een klus om 13u.
Het verschil tussen mijn moeder en mijn 5-jarige zoon: de eerstgenoemde zal nooit meer echt goed leren omgaan met wat het leven van de tweede wordt: de digitale interface. Vergelijk dit met de wasmachine: een knop waarmee je het in een bepaalde stand zet. De knop is altijd dezelfde en de stand ook. In een gsm is de interface digitale en interactief: hij verandert en verwacht input van de gebruiker. Dat is voor iemand van de vorige generatie niet zo evident; voor mijn zoon wel. Hij voetbalt, voert de kippen, klimt in bomen, speelt met autootjes, maakt tekeningen (op papier en computer) en kan ook met de digitale interface werken.
Ik heb ik de klas al dikwijls de vraag gesteld in de klas: welke beroepen komen niet in aanraking met de computer? Dat lijkt een makkelijke vraag tot blijkt hoe complex het digitaal bedieningsbord van de afvalwagen is of dat de verpleegster elke daad die ze stelt ingeeft in een draagbaar computertje. Wil je in een huis wonen waarvan de stabiliteit door een ingenieur met de hand is berekend zoals we leren in school, of toch maar liever even door het computerprogramma gooien ook?
De digitalisering zal ook voor een goed deel de infrastructuur van de huidige scholen overbodig maken en dat betekent dat de huidige onderwijszuilen eigenlijk geen baat hebben bij dit soort van vooruitgang. Uiteindelijk zal de gebouwenkost niet meer kunnen verantwoord worden. Dit wil niet zeggen dat er geen persoonlijk contact meer zal zijn tussen leerkracht en leerling. Zelfs integendeel: er zal eindelijk ruimte zijn voor meer persoonlijke bijsturing en coaching. Ook de interactie met de medeleerlingen zal intensiever wordt naarmate ze op meer zelfstandige basis (zonder aanwezig leerkracht) tot oplossingen moeten komen.
Bedrijfstages als praktische school: kinderarbeid is bijna terug
Het zou mij sterk verbazen als er publiek beschikbare statistieken zijn van de inzet van stagiairs in het professionele leven en wat deze gratis bijdrage aan de economie opbrengt. Dit is niet zo abnormaal, denkt de Vlaamsche Staat, we betalen €10,2 miljard aan onderwijs — maar zo zorg je voor schijneconomie. Kleine KMO’s profiteren graag van de verse lichting paaskippen die elke lente klaar staan voor de schoonmaak van het archief, het achterstallig kopieerwerk, het beantwoorden van nutteloze telefoontjes en meer van dergelijk loos werk dat eigenlijk door een gemotiveerde 16-jarige kan worden gedaan.
Als we dan toch deze weg op gaan, laten we het dan goed doen. Scholen kunnen zeker voor het technisch onderwijs amper bijblijven met machines en als ze toch de investering doen, worden ze slecht beheerd. Neem nu het voorbeeld van een CNC machine: wanneer een school die investering doet wordt die niet commercieel uitgebuit door werk van lokale bedrijven aan te nemen en uit te voeren. Dikwijls zijn het de leerkrachten die op zaterdag of zondag zelf wat jobjes komen affrezen voor vrienden en kennissen. Een meer commerciële instelling van de school zou het instituut meer voordeel brengen, zelfs op pedagogisch vlak: de machine is sneller afbetaald en er is geld voor ‘updates’. Scholen hebben dikwijls geen feeling genoeg om de economische dynamiek die ze toch bezitten in hun eigen voordeel aan te wenden. Dikwijls wordt, op verschillende manier, dit voordeel aan het personeel gekanaliseerd — hoewel niemand zou tegenspreken dat het in de eerste plaats de leerlingen ten goede zou moeten komen.
“School’s dead! Long live full-time lifelong learning on Linux”
Nu is er al sprake van talrijke iPad-scholen — dit is volgens mij een slechte evolutie in zoverre scholen zich resoluut verbinden aan een commerciële firma zoals Mac of Microsoft voor zo’n ingrijpende stap. De scholen die dit doen maken van hun school een reclameplatform van een multinational waaraan ze nooit eisen kunnen stellen en waarvan ze helemaal afhankelijk worden. Als Amerikaanse bedrijven zien hoeveel staatsgeld in België in onderwijs gestopt wordt, zijn ze er als de kippen bij. Het is moeilijk te geloven dat scholengroepen hierin trappen, terwijl het alternatief gratis voor het grijpen ligt en eindelozen mogelijkheden biedt: het open-source platform LINUX. De voordelen:
je kunt goedkope laptops (€250-300), tablets (€100 en dalend) en smartphones gebruiken, het hoeft alleszins geen Mac te zijn;
alle software die je ooit nodig hebt, gratis, voor altijd;
je kunt de software zelf aanpassen en terug verspreiden;
je leert werken op een niveau dat je leert hoe computers en servers werken.
Ha, mijnheer de minister, mijn concreet voorstel voor het onderwijs voor de 21ste eeuw kost minder dan wat we nu hebben… Als we dat in het hele onderwijs zouden invoeren gaat er een flinke hap uit uw budget. Niet zo’n goed idee, waarschijnlijk…
Ik denk niet dat Nederlandse kranten het moesten proberen – ze zouden onmiddellijk aangepakt worden als hautain en arrogant. “We hebben de krant niet nodig om onze eigen taal te leren!”
Let ook op de duidelijke fouten in de cartoons op de cover. Zo wordt het deeltje ‘Grammaticale struikelstenen’ geïllustreerd door een jongetje dat ‘gramatica’ op het bord schrijft. Deze fout heeft helemaal niets met grammatica te maken, enkel met spellingsafspraken – niet met de regels van de taal. Een voorbeeld van een grammaticafout vind je op de cover van de bijlage over spelling: “Ik aanbidt mijn leraar” is een grammaticale fout, ‘aanbidt’ is enkel een foute spelling in deze grammaticale context. Blijkbaar heeft de redactie die de prentjes op de boekjes geplakt heeft, toch niet de taalkundige achtergrond die je mag verwachten bij een kwaliteitskrant.
Qua bruikbaarheid in de klas moeten ook niet onmiddellijk een gat in de lucht springen, hetzij i.v.m. de titelkeuze van de enige relevante bijlage van de vijf: De geheimen van het Nederlands. Aan de fout in deze illustratie ‘de taal der Nederlanden’, die een geografisch-linguïstische eenheid veronderstelt en daarbij in de eerste plaats het Fries, maar ook andere talen doodzwijgt, gaan we hier maar snel voorbij.
Eigenlijk behoorde de titel van dit laatste deel te zijn: Wat iedereen over taal moet weten om een beter en verdraagzamer mens te worden. Na een heel curriculum Nederlands in het secundair onderwijs behoren mensen toch een aantal zaken te weten de taal in het algemeen en hun moedertaal in het bijzonder. Deze staan in dit bundeltje mooi samengevat en aanschouwelijk geïllustreerd. Een mini-inleiding in de moderne taalkunde, zonder poespas of oude filologische mythes.
In een uiteenzetting in de basisschool van mijn dochter maakte ik kennis met de alfabetcode van Erik Moonen. Ik heb zelf geen enkele achtergrond op het vlak van lees- en schrijfintitiatie, maar ben altijd geïntrigeerd door taalkwesties en hoe daar in het onderwijs mee wordt omgesprongen.
Paul Delaroche, Een kind leert lezen (1848)
Het praatje, dat aangekondigd werd als een kennismaking met deze nieuwe methode die in het eerste jaar van de basisschool wordt toegepast, stak dan ook raar genoeg van wal met alarmwekkende cijfers over dyslexie, uit Nederland. Moonen beweert dat de 25% aan dyslectici die aan het einde van het secundair onderwijs geraken, allemaal hadden kunnen geholpen worden als maar de correcte methode was gebruikt. Dyslexie is, volgens Moonen, wel een hersenafwijking, maar eentje die kan worden bijgestuurd door correct leesonderwijs: het zou er dan om gaan om de dyslecticus zijn hersenen juist te leren gebruiken. Alle traditionele leesonderwijs stuurt volgens hem precies aan op zo’n ‘hoog’ percentage dyslectische leerlingen. De eerste vraag die we kunnen stellen is omgekeerd: hoe komt het dat 75% wel ‘correcte’ leesvaardigheden ontwikkelt, als de methode zo funest is? Nogmaals, bij een uiteenzetting over de leesmethode in een eerste studiejaar aan ouders beginnen met angstaanjagende cijfers over dyslexie, is efficiënte maar overduidelijk oubollige reclame voor de eigen methode.
Letters staan voor klanken en moeten alsdusdanig aangeleerd worden.
We schrijven ‘boek’ omdat we in het Nederlands de klanken [b] [u:] en [k] meestal als respectievelijk ‘b’, ‘oe’ en ‘k’ geschreven worden. De alfabetmethode legt zwaar de nadruk op het aanleren van het schrift als tekens die voor klanken staan en bekritiseert andere methoden omdat ze dat niet doen. Dat is toch wel opmerkelijk omdat iedere taalgebruiker de neiging heeft woorden die hij niet kent, fonetisch te op te schrijven:Â mariesjosee zou dan een afdeling van de Nederlandse politie zijn. De taalgebruiker lijkt automatische van een een fonetisch schrift uit te gaan, alsof dat natuurlijk is en het is precies dit idee wat mensen zoals Moonen onterecht een eureka-gevoel geeft. Ook de Engelse onderzoekster McGuiness, die het eerst met deze methode op de proppen kwam, trapt in deze oude boutade: als we nu zouden schrijven wat we zeggen, zou niemand fouten maken. Dat lijkt heel logisch en simpel, waarom doen we dat dan niet? McGuiness legt zelfs de schuld bij de opsteller van de Engelse spelling, Samuel Johnson:
Samuel Johnson standardized the spelling for words in 1755, but he did not standardize the spelling for phonemes. If he had, I wouldn’t be writing this paper. As a result, there are multiple ways to spell most phonemes, and multiple ways to read most letters and digraphs, and these multiple ways don’t match.
Iedere eerstejaarsstudent talen zou moeten weten wat hier mis mee is en het is werkelijk choquerend dat doctoren in de letteren McGuiness en Moonen dat gewoonweg niet zien. Johnson had weliswaar alle bestaande klanken uit het Engelse taalgebied kunnen inventariseren en voor elk van die klanken een vast teken vastgelegd hebben. Het gevolg zou geweest zijn dat de Schotten, Welshmen en Ieren na verloop van tijd de Londense kranten niet meer zouden kunnen lezen hebben en vice versa. Dit zou het einde betekenen van de synchrone standaardtaal: op een bepaald moment kunnen verschillen subgroepen in het taalgebied niet meer met elkaar communiceren. Minstens even belangrijk als argument tegen fonetische neiging in spelling, is het diachrone aspect: de evolutie van de taal doorheen de geschiedenis. Indien iedereen, zoals McGuiness had gewild, fonetisch zou spellen, zouden we de teksten van 50 jaar geleden amper nog kunnen lezen. De kracht van het Engels, met een spelling die nooit in fonetische zin is aangepast, is net dat lang transparant blijft – het is voor Engelse kinderen veel en veel makkelijker om Dickens te lezen dan het is voor Nederlandstalige kinderen om Conscience te lezen.
De fonetische aanpak van McGuiness is evenwel in bepaalde mate te begrijpen wegens de reden die ik hiervoor al aanhaalde: het Engels is heel ver van een fonetische spelling verwijderd, veel verder dan Nederlands of Duits – Frans is een complexe zaak met een aparte geschiedenis waar ik hier niet kan op ingaan. McGuiness maakt een onderscheid tussen deze groepen talen: de diepgecodeerde talen (onfonetisch) en de oppervlaktegecodeerde (fonetische) talen. Daarbij rekent zij Italiaans en Spaans als de meest fonetische talen – wat weer een cirkelredenering is: als je de standaarduitspraak van het Italiaans naast het geschreven Italiaans legt is dat vrij fonetisch, maar dat wil niet zeggen dat de overgrote meerderheid van de kinderen die binnen leren lezen en schrijven, die standaardspreektaal beheerst.
Dit is lang een grote fout geweest van moedertaalonderwijs: men veronderstelde dat de Vlaamse kinderen moedertaalsprekers waren, terwijl hun eigenlijke moedertaal een dialect was, een variant met andere grammaticale, syntactische, semantische en lexicale regels. Dwz: grammatica is anders, je verbindt zinsdelen anders, woorden betekenen iets anders, er zijn andere woorden. Indien de leerlingen al de standaardspreektaal zouden beheersen, zou het onderwijs een heel ander uitgangspunt hebben. Dat deze methode ontwikkeld is op het einde van de negentiende eeuw in Engeland, mag niemand verrassen en wel in een dubbel opzicht. Enerzijds kun je je afvragen hoe de uitvinders van de methode aan de veelheid aan dialecten konden voorbijgaan – die was op dat moment in Engeland nog veel groter dan nu in Vlaanderen; anderzijds wordt het duidelijk dat als je bekijkt wie er in het late Victoriaanse tijdperk degelijk lees- en schrijfonderwijs kreeg, de methode voor hen wel had kunnen werken. Enkel de elite die al de cultuurtaal sprak, de Received Pronunciation (RP) had ontvangen, had toegang tot degelijk onderwijs. Hier zien we een glimp van de vele redenen waarom het Britse onderwijs altijd een hele elitaire aangelegenheid is geweest, maar verder kunnen we hier niet op ingaan.
Vandaag zag ik onderstaan berichtje op een Nederlandse discussiegroep:
Beste collega,
Als u op een Nederlandse school werkt, wil ik u het volgende
vragen. Zou u me willen vertellen hoeveel boeken uw leerlingen
moeten lezen voor de lijst? Ik probeer een overzicht te krijgen
van de eisen die scholen in Nederland hanteren.
Mail het antwoord naar xxxx
Voorbeeld:
Barendslyceum Ede
Vwo 12
Havo 10
Mavo 8
Meer is niet nodig. Bedankt voor de moeite.
Ik had bijna de man in kwestie geantwoord, maar die heeft wellicht geen zin in bedenkingen vanuit het Vlaamse perspectief. Die wil gewoon statische gegevens aanleggen. De vraag is ook: wat is het nut van die gegevens? En ook: als er toch Nederlandse leerkrachten zijn die veel minder boeken opgeven dan het voorbeeld, zullen die niet durven reageren.
Ik vraag me ook af hoe dat dan getoetst wordt en of je met lijsten niet sowieso gekopieerde leesverslagen gaat krijgen. Daarom ben ik niet zo’n voorstander van verplichte lijsten, maar eerder van een dagelijkse, diverse, gefocuste leespraktijk (bijna) elke les. Vergeet niet dat zelfs de mensen die geen boek aanraken, nog steeds gigantisch meer lezen dan mensen 100 jaar geleden. Tekst is overal, zelfs je telefoon kun je niet meer bedienen zonder lezen (niet alleen cijfertjes), maar het is niet allemaal literatuur.
Dikwijls -en ook ik bezondig mij eraan- zijn taalleerkrachten teveel literatuurfreaks die van de hele bevolking verwachten dat zij dezelfde interesse vertonen. Het is waar dat iedere mens een hang heeft naar fictie en daar echt uit leert of dat probeert, maar we moeten niet vergeten dat het fictiemedium voor vele mensen niet meer tekst is, maar beeld. Soaps, series, films, dat zijn de narratieve fictiedragers voor de meeste mensen vandaag de dag. Waar ze zich aan spiegelen (ten onrechte meestal), waar ze mee wegdromen, en zelfs een simpele analyse van een soap kan in de klas een veelzeggende statement maken over “hoe wij onszelf zienâ€.
Vanuit dat oogpunt zie je hoe narrativiteit en fictie een echte impact op het leven van alledag kunnen hebben.