Alle oefeningen van het traject zijn onmiddellijk toegankelijk op deze pagina. Ondertussen werden de oefeningen van level 1&2 meer dan 200 maal ingevuld en kwamen een aantal bugs en foutjes aan het licht. Ik tracht alle resultaten op te volgen en de database bij te werken.
De volgende stap (zie stap 1&2) is het introduceren van de ‘gebiedende wijs’ (imperatief) en deze vorm staat naast alle andere werkwoordsvormen die we behandelen en die in de ‘aantonende wijs’ (indicatief) zijn.
/10
0 stemmen, 0 gem
2
Report a question
De imperatief is geen werkwoordstijd, maar een wijs. De oefeningen hierop zijn simpel: altijd stam. De moeilijkheid zit eerder in het herkennen van de gebiedende wijs. Om in te drammen dat er nooit een -t komt bij deze vormen kan deze oefening gebruikt worden
0%
0 stemmen, 0 gem
9
Report a question
Deze summatieve oefening haalt 15 vragen uit de databank van 120+ zinnen van de drie niveaus. Omdat het oefenen in werkwoordspelling enkel dient om het schrijven te versnellen, zijn al deze tests met klok.
Domweg oefenen in het benoemen van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden komt de taalvaardigheid niet ten goede. Deze les stelt een paar spelletjes voor om leerlingen te stimuleren en te oefenen in deze BW-BN-ZN structuren. Contrasteren van BW en BN was nuttig tot voor de spellingshervorming van 1946/7
Het is niet echt ‘bingo’, dat klinkt gewoon goed. Wel leuk!
Verdeel de klas in 3 teams
Elk team stuurt een team lid naar de quiz-spot: de quizzers staan met hun rug naar het bord en het gezicht naar de klas
Quizmaster trekt een letter: bijvoorbeeld ‘h’
Kandidaat 3 zegt een zelfstandig naamwoord met ‘h’, kandiaat 2 voegt een bijvoeglijk naamwoord toe (grote hond), kandidaat 1 voegt een bijwoord toe: waanzinnig grote hond.
De drie gebruikte woorden worden in drie kolommen op het bord genoteerd: deze mogen niet meer genoemd worden. Wanneer dit toch gebeurt, is de kandidaat uitgeschakeld.
De drie kandidaten verwisselen van plaats na elke beurt: zo moeten ze elke beurt een andere woordsoort verzinnen.
Na dit spel hebben we een bord vol met woorden om over te beginnen nadenken: hoe werken ZNW, BNW en BW samen om betekenis te maken?
2. De Bijwoordspinner
Alle ‘bijwoorden’ in de spinner hieronder, zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die als bijwoord gebruikt worden. Je hoeft de link maar ter beschikking te stellen en de leerlingen beginnen met plezier te draaien en rare combinaties te maken. Ze lezen ze ook met plezier voor oefenen zichzelf zo in de bw-bnw-znw: een onwijs toffe ervaring.
3.Leerlingen maken zelf een Bijwoordspinner
Stap 1: Pas het Google Spreadsheet-sjabloon aan
Maak een kopie van dit sjabloon. (Je moet hiervoor inloggen met je Google-account.)
Bewerk de kolomkoppen in rij 2.
Je kunt maximaal 10 kolommen gebruiken.
Maak onder de kolomkoppen lijsten van woorden, namen, zinnen, etc. die je willekeurig wilt laten husselen.
Geef je Randomizer een naam door de tekst in cel A1 te wijzigen.
Bewerk geen enkele cel met een blauwe achtergrond.
Stap 2: Publiceer je spreadsheet
Ga naar Bestand, Delen, Publiceren op internet en klik vervolgens op Publiceren.
Kopieer de link die in het dialoogvenster verschijnt (deze heb je nodig in stap 3).
Stap 3: Ontvang je Flippity.net-link
Klik op het tabblad Get the Link Here van het sjabloon (onderaan).
Plak de link die je in stap 2 hebt gekopieerd in cel A3.
Klik op de link die in cel A5 verschijnt om naar je Flippity.net-randomizer te gaan.
Stap 4: Bladwijzer maken en delen
Maak een bladwijzer van de pagina om deze snel terug te vinden.
Deel de Flippity.net-link met iedereen die de randomizer wil gebruiken.
4. De theoretische-historische achtergrond over bijwoord/bijvoeglijk naamwoord in het onderwijs.
Hoe moeilijk kan het zijn? Een bijvoeglijk naamwoord staat bij een zelfstandig naamwoord en een bijwoord staat bij een bijvoeglijk naamwoord. Een bijvoeglijk naam woord kan verbogen worden, een bijwoord niet: het is net zoals voegwoorden en voorzetsels onveranderlijk.
Veel grammatica moet er volgens mij niet aan vuilgemaakt worden. Wie in 2025 nog oefent op het verschil tussen bijv. nw. en bijw. zit eigenlijk nog vooroorlogs te werken. Voor de spellinghervorming was het belangrijk om te weten of het een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord was, omdat de spelling (-s of -sch) hiermee samenviel. Deze kwestie is sinds de spellinghervoming van 1946/7 een irrelevant geworden.
Alleen blijven we voor de spelling dagelijks of dagelijksch en voor het gebruik van zeldzaam (bijv. nw.) en zelden (bijw.) op het onderscheid letten. Maar wanneer wij in zinnen als: Angstig keek hij om, Ziek werd hij thuis gebracht, Vroolijk liep hij de trappen op, – onderzoeken, tot welke woordsoort de gespatiĆ«erde woorden gebracht moeten worden, dan is dit niet meer dan geestesgymnastiek.
Voorheen dicteerde de spelling: deze wafelen zijn vers gebakken (bijwoord), maar: dit zijn versche wafelen. Of: geeft ons dagelijks ons dagelijksch brood.
Onze Taal, januari 1946
Toch een aantal opmerkingen: ‘Dansen’ is ongetwijfeld een werkwoord, maar dat wil niet zeggen dat het niet als zelfstandig naamwoord kan gebruikt worden: Dansen is leuk. Ook een bijvoeglijk naamwoord kan de rol nemen van zelfstandig naamwoord, dat is het geval bij een halve gare. ‘Halve’ en ‘gare’ zijn duidelijk allebei bijvoeglijke naamwoorden -ze zijn verbogen- maar toch functioneert de laatste als zelfstandig naamwoord. In de zin De steen is zeer hard is ‘zeer’ een echt bijwoord (dat staat bij een bijvoeglijk naamwoord) — maar deze bijwoord functie kan evengoed vervuld worden door een substantief: kei hard. Conclusie: hoe een woord syntactisch verbonden worden aan andere, geeft niet onmiddellijk informatie over de woordsoort.
Daarmee komen we op het punt dat een massa een bijvoeglijke naamwoorden op een bijwoordelijke manier kunnen gebruikt worden. ‘Echte’ bijwoorden herken je aan het feit dat ze nooit verbogen kunnen worden. Bij bijvoeglijke naamwoorden zetten we enkel bijwoorden van graad: zeer, nogal, weinig, een heel beperkte groep. Wie niet gelooft dat Jan loopt snel een bijwoordelijke bepaling bevat met als woord soort bijvoeglijk naamwoord, leest er best Onze Taal op na; of denkt na over de vraag of Jan loopt sneller ook een bijwoord bevat.
Ook zag ik de radicaal foute gewoonte om het aanvullende deel van de p.v. bij splitsbare werkwoorden aan te duiden als bijwoord — dit is radicaal fout. In de zin Ik zet mijn hoed op gaan we niet de woordsoort van ‘op’ bepalen, het is geen woord, het is een deel van een woord: een morfeem. Voor een deel is dat te wijten aan hoe Van Dale met bijvoorbeeld woorden zoals ‘op’ omgaat. Als Nederlandse verklarend woordenboek heeft het nut om nieuwe taalgebruikers op de betekenisverschillen te wijzen. In de zin ‘Ik zet mijn hoed op’ lijkt de betekenis van het voorzetsel het hebben, in ‘De vlieger gaat op’ lijkt het eerder een bijwoord.
Scholen zijn zoals AI: ze geven ‘kennis’ door zonder nadenken en deze kwestie is wel het meest hallucinerende voorbeeld dat ik ken. Ze leren je feiten, maar leren je niet ermee werken, er iets nieuws mee creĆ«ren, het toepassen in een nieuwe context. Indien we dit niveau willen bereiken zullen ook de leerkrachten moeten beginnen het voorbeeld te geven: d.w.z. zelf lesmateriaal maken. Zeker voor de verdoemde grammatica-oefeningen: je beseft nooit dat het altijd complexer is dan een oefening kan vatten van zodra je zelf oefeningen begint op te stellen. Of gewoon even de ANS bekijken, dat heeft hetzelfde ontmoedigend effect.
Zoals uitgestippeld en aangekondigd in een eerdere blogpost, is hier het eerste deel van het WW-Traject. Voorlopig zijn er drie oefeningen beschikbaar:
Level 1: onvoltooid tegenwoordige tijd voor werkwoorden met stammen die niet eindigen op -d en bijhorende inversies.
0 stemmen, 0 gem
24
Level 2: enkel werkwoorden met stammen die eindigen op -d
0 stemmen, 0 gem
14
Level 1+2: een mix van de twee bovenstaande oefeningen:
Hier is ultieme werkwoordentest: tien items. Wie alles correct heeft, heeft niets meer bij te leren. Of er instinkers tussenzitten? Neen, het zijn allemaal instinkers.
0 stemmen, 0 gem
77
De problemen met het bestaande werkwoordtraining zoals ik het vaak zie:
Elke werkwoordstijd is een systeem op zich, dat apart begrepen en ingeoefend moet worden.
De stam van een werkwoord is vaak, maar niet altijd gelijk aan de eerste persoon. De eindklank van de stam van zweven is een /v/ en daarom krijgt het een uitgang met d.
De tijden gaan niet alleen over verleden, heden, toekomst maar ook over aspect: beschouwt de spreker het beschrevene als voltooid of is er een effect in het heden (onvoltooid)? ‘Ik heb gedanst’ is een tegenwoordige tijd! Het is wel een voltooide vorm (perfectum): nu heb ik een dansje achter de rug.
’t Kofschip: als leerlingen op het niveau zijn aanbeland dat er ook over morfologie en fonetiek wordt gesproken, mogen ze toch eindelijk wel eens weten waarom de letters in van ’t kofschip zijn wat ze zijn: stemloze medeklinkers.
Modale werkwoorden: jij wil of jij wilt? hij wil of hij wilt? Hier wordt in het algemeen te weinig op geoefend.
Consequente werkwoordsvormen met u, is vaak een probleem. Met u gebruiken we de tweede of de derde persoon, maar wel consequent. Dus niet: u heeft (3e p.) het formulier toch ontvangen en bent (2e p.) ermee naar het postkantoor gegaan.
Werkwoordsvormen zijn, zoals alle talige elementen, onderhevig aan historische evolutie. Voor de werkwoorden hangt die voornamelijk samen met de evolutie van gij naar jij, die in Vlaanderen nooit (volledig) heeft plaatsgevonden. De voornaamste voorbeelden zijn: -t in de imperatief meervoud (neemt allen uw boek) en de -t in de tweede persoon onvoltooid verleden tijd van onregelmatige werkwoorden: Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad (Jes 22:9) of Mijn bozen daĆ¢n Gij naamt die gunstig weg (1773; Ps 32:3). In deze context is ook te wijzen op de recente evolutie van je kunt/zult naar je kan/zal en de voorkeur voor deze vormen bij de beleefdheidsvorm ‘u’.
Elke oefening op werkwoordspellingtest alleen het beheersen van de regels, niet de toepassing ervan tijdens een realistische schrijftaak.
Wie niet schrijft, maakt geen fouten. Uiteindelijk zijn werkwoordsoefeningen goed om alle kennis correct te ordenen, maar geen garantie op vlekkeloos spellen. Dat weten echter enkel degenen die veel zelf (veel) schrijven – niet alle leerkrachten behoren tot deze groep. Het kan niet dat leerkrachten Nederlands geen boeken lezen, maar het kan wel dat ze nooit een tekst schrijven? Zeker de blinde voltooide deelwoorden: bekend/t, gebeurd/t enzoverder blijven waanzinnige instinkers, omdat hier het absolute paardenmiddel, luidop voorlezen, niet helpt.
Het enige dat nieuw en belangrijk is aan het traject zoals ik het voorstel, is de volgorde van de oefeningen. De methode, indien die naam waardig, zit louter in het apart aanbieden, begrijpen en inoefenen van de verschillende systemen.
INDICATIEF
verleden
tegenwoordig
toekomstig
onvoltooid
ik danste
ik dans
ik zal dansen
voltooid
ik had gedanst
ik heb gedanst
ik zal gedanst hebben
Stappenplan
Indicatief – OTT – dans(t), dansen + alle inversies. Enkel transparante werkwoorden, m.a.w. geen -d op het einde van de stam.
Indicatief – OTT – word(t), worden + alle inversies. Enkel werkwoorden met -d op het einde van de stam.
Mixoefening van 1 en 2 met inversies.
Imperatief met transparante stammen
Imperatief met -d stammen
Mixoefening van de Imperatief 4 en 5
Mixoefening van al het voorgaande
Indicatief – OVT – danste(n), volgde(n)– met werkwoorden zonder -t of -d in de stam
Indicatief – OVT – praatte(n), duidde(n) met werkwoorden met -t of -d in de stam
Mixoefening van 8 en 9
Mixoefening van al het voorgaande
Indicatief – VTT gedanst, gevolgd
Indicatief – VTT of OTT het gebeurt/is gebeurd onzichtbare voltooid deelwoorden
De lente van 1944 is het einde van de Tweede Wereldoorlog. Plots krijgt een leuke lentegedicht een onwaarschijnlijke portee die wel diep moet ontroeren, of alleszins bij mij dat effect had. Timmermans wordt al te vaak lichtvoetigheid verweten, maar hier is het een zeer subtiele kracht. Het is en blijft een parel van een gedicht.