Mijn haat voor de voetbalsport is quasi metafysisch, maar dat geldt natuurlijk ook voor mijn melancholie. Ik mocht als 12-jarige mijn bed uit om de Belgen in Mexico te zien stunten in 1986. Kortom: ik heb het recente WK voetbal gekeken.
Voetbal, of niet, “schrijven is schrappen” blijft de boodschap. Of die uitspraak echt aan Franz Kafka kan toegewezen worden, is niet zeker, maar zijn manuscripten laten weinig aan de verbeelding over. Schrappen begint bij de herhalingen:
Niet gebruiken van verwijswoorden zorgt voor nodeloze herhalingen.
Tijdens het bekijken van de wedstrijden via de Vlaamse televisie-omroep, viel mij op dat Vlaanderen een heel eigen jargon begint te ontwikkelen op het vlak van sportverslaggeving. Dat kan natuurlijk een symptoom mijner eigen ouderdom zijn, ik bemerkte deze problemen:
Schrijven is schrappen wat kan geschrapt worden, of lezers verliezen.
Pleonastisch taalgebruik
Gebrek aan teksteconomie: zeker in deze digitale tijden geldt de regel ‘minder is meer’ en eigenlijk is dat altijd de eerste regel van teksteditie. Di is altijd ook een probleem op school omdat opdrachten vaak een vaste lengte moeten hebben. Kunnen we beginnen focussen op inhoud in de plaats van vorm? Kwaliteit i.p.v. kwantiteit.
Idiomatische verglijding: vast uitdrukkingen en spreekwoorden worden mishandeld en verknutseld. Dat wil niet zeggen dat ik problemen heb met een bal die in de kruising geschilderd wordt, een chasse patate of het vals plat.
Calque vertalingen uit Engels: bedrijven, verenigingen en teams kun je ontbinden, maar duivels nog altijd niet.
Passe-partout woorden: betekenisloze woorden, waarbij het belangrijkste wel is ‘momentje’: flatermomentje, schrikmomentje, shitmomentjes, bange momentjes, stressmomentjes, … het houdt niet op. Zelf ‘een momentje hebben’ blijkt een ding te zijn.
Een greep uit de oncreatieve momentjes van de sportredactie…
Na wat grasduinen op sporza.be was ik toch verbaasd over het niveau van het Nederlands, terwijl dat elders bij VRT nog wel meevalt. Het opmerkelijkste was wel deze: het consequente gebruik van ‘naaien’ in de betekenis van ‘hechten (van een wonde)’. Dat wil niet zeggen dat duidelijk Noord-Nederlandse uitdrukkingen zoals “iemand opnaaien” of “zijn vrouw naaien” vermeden worden, integendeel. Aan de ene kant pleit dit voor de taalflexibiliteit van de Vlaming, aan de andere kant zou ik toch liever ‘hechten’ zien.
In een artikel uit 2015 werd gejubeld dat onzer aller goedweerpoƫet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs. Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?
We spreken over een neologisme als een nieuw woord aan de taal wordt toegevoegd en we spreken over een archaĆÆsme als een woord als ‘oud(erwets)’ wordt ervaren. Er is geen term voor woorden die als neologisme geklasseerd worden, terwijl (en eigenlijk omdat) het eigenlijk archaĆÆsmen zijn – het taalkundige equivalent van het warm water opnieuw uitvinden. Of: gerefurbishte woorden. Nieuwbollige woorden?
In een artikel op de website van de openbare Vlaamse televisieomroep uit 2015 werd gejubeld dat ons aller goedweerpoƫet Frank Deboosere de Nederlandse taal zou verrijkt hebben met een nieuw woord: ochtendgrijs. Hoe hij het woord geschapen heeft, laat de guitige weerman niet weten, maar hij beweert toch dat hij het al sinds 1997 gebruikt. Hij heeft zeker bijgedragen tot de nieuwe populariteit van het woord in weerberichten, daaromtrent is geen twijfel.
Nu is het woord ook opgenomen in Van Dale, zelfs met een vermelding van Deboosere. Is dit wel correct? Heeft Frank dit woord zelf bedacht, zoals het woordenboek aangeeft?
Van Dale Woordenboek, 16e herziene editie
Tot voor kort konden we natuurlijk het echt grote Woordenboek der Nederlandse Taal consulteren, maar door recente aanvallen op de servers is dit prachtig online naslagwerk al meer dan een week niet meer bereikbaar. Of het WNT ooit terug online komt, is nog maar de vraag.
Deze onderzoeksmethode naar betekenis en gebruik, verschilt niet wezenlijk van de methode die lexicografen gebruiken om woordenboeken samen te stellen. Je bakent een onderzoekscorpus af: een verzameling van de teksten die je gaat onderzoeken en je beschrijft elk woord in dat corpus. De voorbeeldzinnen uit woordenboeken zijn niet verzonnen: ze komen altijd uit het corpus. Het internet is een groot corpus dat je digitaal kunt doorzoeken. Lexicografen deden dit vroeger op papier – er was geen alternatief.
Het internet huist echter ook afgelijnde historische corpora: krantendatabanken en literaire databanken. Daar kun je duizenden teksten doorzoeken in een paar seconden. Al deze voorbeelden zou je kunnen analyseren tot een woordenboekartikel (of: lemma) dat de kenmerken en betekenissen van het woord beschrijft.
De beste plaats om een snel onderzoekje te doen is de archiefsite delpher.nl en daar vinden we het woord al in 1896 in een poƫtische kunstrecensie.
De kroniek; een algemeen weekblad, jrg 2, 1896, no. 67, 05-04-1896
In 1904 verschijnt het ook in het weerbericht:
Onze Nieuwtjes.. “Deli courant”. [Medan], 15-07-1904, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
In 1926 maakt het woord deel uit van het arsenaal van een tuindichter:
DE MAAIER.. “Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij”. Amsterdam, 20-11-1926, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
Voor Belgiƫ kan men het krantenarchief Belgicapress van de KBR.be consulteren, al moet je wel registreren (gratis) om toegang te krijgen tot het hele gedigitaliseerde archief. Voor wie dacht dat het woord een hollandisme is, heb ik dit citaat uit 1947:
De Roode Vaan, 04-11-1947. Geraadpleegd op KBR.be op 17-05-2026
Een verdere stap, mocht die nodig zijn, is het consulteren van de literaire archieven op dbnl.org. Het is een kwestie van seconden om ettelijke voorbeelden te vinden, allen vroeger dan Franks lexicale epifanie in 1997:
Van Dale is niet meer was het was: een woordenboek samengesteld onder toezicht van taalkundigen. Nu is staat het onder redactie van lic. Ruud Hendrickx, jarenlang de taalnazizeur van de Vlaamse openbare oproep en naaste collega van weerman Deboosere. Jaren naast elkaar staan aan de pisbakken van de VRT, het schept een band natuurlijk, maar, heren, alstublieft… niet in mijn naslagwerk van ā¬229.
We kunnen enkel vaststellen dat Van Dale pertinente fouten bevat: fouten die iedereen met wat internetkennis kan vaststellen. Dit is een pijnlijk moment: de betrouwbaarheid van naslagwerk met een aanzienlijke reputatie in het Nederlandse taalgebied, wordt gecompromitteerd door collegiale rugkrabberij. Natuurlijk is dit ook een slinkse manier om het reclameverbod op de VRT te omzeilen en het Van Dale woordenboek te promoten.
Ook in een ander artikel blaast Hendrickx de loftrompet van onze meteopoĆ«et en dicht hem (alweer onterecht) de uitvinding van ‘winterprik’ toe. Het woordenboek laat hier de weerman onvermeld, maar geeft wel een jaartal: 1997. Een snelle zoekopdracht naar het woord op delpher.nl geeft ons voorbeelden uit 1976-1994.
Uit: Nederlands dagblad : gereformeerd gezinsblad / hoofdred. P. Jongeling ⦠[et al.]. Amersfoort, 20-11-1976, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
In 1976 heeft het woord geen aanhalingen nodig, maar in 1994 behoeft het die blijkbaar wel en wordt het omringd met het blijkbaar gebruikelijker synoniem ‘kou-inval’
‘Valentijnswinter’, in “Limburgsch dagblad”. Heerlen, 12-02-1994, p. 14. Geraadpleegd op Delpher op 17-05-2026
Hetzelfde blijkt het geval voor het afgrijselijke woord ‘lenterig,’ een leuk alternatief voor zij die de spellingproblemen van lenteachtig willen ontwijken. Dit gedrocht vinden we nochtans al in 1920:
Het is echt betreurenswaardig dat ik 2026 gratis digitale hulpmiddelen te beschikking heb, die mijn dierbaar woordenboek te schande maken. De les die hieruit kan ontwikkeld worden ligt voor de hand: de leerlingen doen in de les het research dat de redactie van Van Dale nalaat. Zelf op woordonderzoek gaan doet hen ervaren dat 1) teksten tot 150 jaar terug best leesbaar zijn; 2) dat woorden soms een revival meemaken; 3) dat je zelf aan de hand van een krantencorpus op zoek kunt gaan naar woorden, namen, plaatsen, adressen…
Net zoals het woordenboek, is ook de weerman een anachronisme geworden: iedereen gebruikt toch gewoon zijn smartphone app als het er echt toe doet. Misschien een ideetje: een AI Deboosere weerapp waarin Frank voor iedereen een persoonlijk weerbericht brengt, een nieuwe app met een echt archaĆÆsch weerbericht.
Alle oefeningen van het traject zijn onmiddellijk toegankelijk op deze pagina. Ondertussen werden de oefeningen van level 1&2 meer dan 200 maal ingevuld en kwamen een aantal bugs en foutjes aan het licht. Ik tracht alle resultaten op te volgen en de database bij te werken.
De volgende stap (zie stap 1&2) is het introduceren van de ‘gebiedende wijs’ (imperatief) en deze vorm staat naast alle andere werkwoordsvormen die we behandelen en die in de ‘aantonende wijs’ (indicatief) zijn.
/10
0 stemmen, 0 gem
6
Report a question
De imperatief is geen werkwoordstijd, maar een wijs. De oefeningen hierop zijn simpel: altijd stam. De moeilijkheid zit eerder in het herkennen van de gebiedende wijs. Om in te drammen dat er nooit een -t komt bij deze vormen kan deze oefening gebruikt worden
0%
0 stemmen, 0 gem
11
Report a question
Deze summatieve oefening haalt 15 vragen uit de databank van 120+ zinnen van de drie niveaus. Omdat het oefenen in werkwoordspelling enkel dient om het schrijven te versnellen, zijn al deze tests met klok.
Domweg oefenen in het benoemen van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden komt de taalvaardigheid niet ten goede. Deze les stelt een paar spelletjes voor om leerlingen te stimuleren en te oefenen in deze BW-BN-ZN structuren. Contrasteren van BW en BN was nuttig tot voor de spellingshervorming van 1946/7
Het is niet echt ‘bingo’, dat klinkt gewoon goed. Wel leuk!
Verdeel de klas in 3 teams
Elk team stuurt een team lid naar de quiz-spot: de quizzers staan met hun rug naar het bord en het gezicht naar de klas
Quizmaster trekt een letter: bijvoorbeeld ‘h’
Kandidaat 3 zegt een zelfstandig naamwoord met ‘h’, kandiaat 2 voegt een bijvoeglijk naamwoord toe (grote hond), kandidaat 1 voegt een bijwoord toe: waanzinnig grote hond.
De drie gebruikte woorden worden in drie kolommen op het bord genoteerd: deze mogen niet meer genoemd worden. Wanneer dit toch gebeurt, is de kandidaat uitgeschakeld.
De drie kandidaten verwisselen van plaats na elke beurt: zo moeten ze elke beurt een andere woordsoort verzinnen.
Na dit spel hebben we een bord vol met woorden om over te beginnen nadenken: hoe werken ZNW, BNW en BW samen om betekenis te maken?
2. De Bijwoordspinner
Alle ‘bijwoorden’ in de spinner hieronder, zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die als bijwoord gebruikt worden. Je hoeft de link maar ter beschikking te stellen en de leerlingen beginnen met plezier te draaien en rare combinaties te maken. Ze lezen ze ook met plezier voor oefenen zichzelf zo in de bw-bnw-znw: een onwijs toffe ervaring.
3.Leerlingen maken zelf een Bijwoordspinner
Stap 1: Pas het Google Spreadsheet-sjabloon aan
Maak een kopie van dit sjabloon. (Je moet hiervoor inloggen met je Google-account.)
Bewerk de kolomkoppen in rij 2.
Je kunt maximaal 10 kolommen gebruiken.
Maak onder de kolomkoppen lijsten van woorden, namen, zinnen, etc. die je willekeurig wilt laten husselen.
Geef je Randomizer een naam door de tekst in cel A1 te wijzigen.
Bewerk geen enkele cel met een blauwe achtergrond.
Stap 2: Publiceer je spreadsheet
Ga naar Bestand, Delen, Publiceren op internet en klik vervolgens op Publiceren.
Kopieer de link die in het dialoogvenster verschijnt (deze heb je nodig in stap 3).
Stap 3: Ontvang je Flippity.net-link
Klik op het tabblad Get the Link Here van het sjabloon (onderaan).
Plak de link die je in stap 2 hebt gekopieerd in cel A3.
Klik op de link die in cel A5 verschijnt om naar je Flippity.net-randomizer te gaan.
Stap 4: Bladwijzer maken en delen
Maak een bladwijzer van de pagina om deze snel terug te vinden.
Deel de Flippity.net-link met iedereen die de randomizer wil gebruiken.
4. De theoretische-historische achtergrond over bijwoord/bijvoeglijk naamwoord in het onderwijs.
Hoe moeilijk kan het zijn? Een bijvoeglijk naamwoord staat bij een zelfstandig naamwoord en een bijwoord staat bij een bijvoeglijk naamwoord. Een bijvoeglijk naam woord kan verbogen worden, een bijwoord niet: het is net zoals voegwoorden en voorzetsels onveranderlijk.
Veel grammatica moet er volgens mij niet aan vuilgemaakt worden. Wie in 2025 nog oefent op het verschil tussen bijv. nw. en bijw. zit eigenlijk nog vooroorlogs te werken. Voor de spellinghervorming was het belangrijk om te weten of het een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord was, omdat de spelling (-s of -sch) hiermee samenviel. Deze kwestie is sinds de spellinghervoming van 1946/7 een irrelevant geworden.
Alleen blijven we voor de spelling dagelijks of dagelijksch en voor het gebruik van zeldzaam (bijv. nw.) en zelden (bijw.) op het onderscheid letten. Maar wanneer wij in zinnen als: Angstig keek hij om, Ziek werd hij thuis gebracht, Vroolijk liep hij de trappen op, – onderzoeken, tot welke woordsoort de gespatiĆ«erde woorden gebracht moeten worden, dan is dit niet meer dan geestesgymnastiek.
Voorheen dicteerde de spelling: deze wafelen zijn vers gebakken (bijwoord), maar: dit zijn versche wafelen. Of: geeft ons dagelijks ons dagelijksch brood.
Onze Taal, januari 1946
Toch een aantal opmerkingen: ‘Dansen’ is ongetwijfeld een werkwoord, maar dat wil niet zeggen dat het niet als zelfstandig naamwoord kan gebruikt worden: Dansen is leuk. Ook een bijvoeglijk naamwoord kan de rol nemen van zelfstandig naamwoord, dat is het geval bij een halve gare. ‘Halve’ en ‘gare’ zijn duidelijk allebei bijvoeglijke naamwoorden -ze zijn verbogen- maar toch functioneert de laatste als zelfstandig naamwoord. In de zin De steen is zeer hard is ‘zeer’ een echt bijwoord (dat staat bij een bijvoeglijk naamwoord) — maar deze bijwoord functie kan evengoed vervuld worden door een substantief: kei hard. Conclusie: hoe een woord syntactisch verbonden worden aan andere, geeft niet onmiddellijk informatie over de woordsoort.
Daarmee komen we op het punt dat een massa een bijvoeglijke naamwoorden op een bijwoordelijke manier kunnen gebruikt worden. ‘Echte’ bijwoorden herken je aan het feit dat ze nooit verbogen kunnen worden. Bij bijvoeglijke naamwoorden zetten we enkel bijwoorden van graad: zeer, nogal, weinig, een heel beperkte groep. Wie niet gelooft dat Jan loopt snel een bijwoordelijke bepaling bevat met als woord soort bijvoeglijk naamwoord, leest er best Onze Taal op na; of denkt na over de vraag of Jan loopt sneller ook een bijwoord bevat.
Ook zag ik de radicaal foute gewoonte om het aanvullende deel van de p.v. bij splitsbare werkwoorden aan te duiden als bijwoord — dit is radicaal fout. In de zin Ik zet mijn hoed op gaan we niet de woordsoort van ‘op’ bepalen, het is geen woord, het is een deel van een woord: een morfeem. Voor een deel is dat te wijten aan hoe Van Dale met bijvoorbeeld woorden zoals ‘op’ omgaat. Als Nederlandse verklarend woordenboek heeft het nut om nieuwe taalgebruikers op de betekenisverschillen te wijzen. In de zin ‘Ik zet mijn hoed op’ lijkt de betekenis van het voorzetsel het hebben, in ‘De vlieger gaat op’ lijkt het eerder een bijwoord.
Scholen zijn zoals AI: ze geven ‘kennis’ door zonder nadenken en deze kwestie is wel het meest hallucinerende voorbeeld dat ik ken. Ze leren je feiten, maar leren je niet ermee werken, er iets nieuws mee creĆ«ren, het toepassen in een nieuwe context. Indien we dit niveau willen bereiken zullen ook de leerkrachten moeten beginnen het voorbeeld te geven: d.w.z. zelf lesmateriaal maken. Zeker voor de verdoemde grammatica-oefeningen: je beseft nooit dat het altijd complexer is dan een oefening kan vatten van zodra je zelf oefeningen begint op te stellen. Of gewoon even de ANS bekijken, dat heeft hetzelfde ontmoedigend effect.
Zoals uitgestippeld en aangekondigd in een eerdere blogpost, is hier het eerste deel van het WW-Traject. Voorlopig zijn er drie oefeningen beschikbaar:
Level 1: onvoltooid tegenwoordige tijd voor werkwoorden met stammen die niet eindigen op -d en bijhorende inversies.
0 stemmen, 0 gem
26
Level 2: enkel werkwoorden met stammen die eindigen op -d
0 stemmen, 0 gem
15
Level 1+2: een mix van de twee bovenstaande oefeningen: