Bijwoord Bingo en andere oefeningen in praktisch grammaticaonderwijs

Domweg oefenen in het benoemen van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden komt de taalvaardigheid niet ten goede. Deze les stelt een paar spelletjes voor om leerlingen te stimuleren en te oefenen in deze BW-BN-ZN structuren. Contrasteren van BW en BN was nuttig tot voor de spellingshervorming van 1946/7

Dit is een diagnostische test m.b.t. bijwoord/bijvoeglijke naamwoord structuren. Concreet gaat het enkel over: verbuigen en het plaatsen van komma’s. Slechts één vraag maakt gebruik van de termen bijwoord/bijvoeglijk naamwoord, de rest kan zonder voorkennis opgelost worden.

0 stemmen, 0 gem
6
Aangemaakt op Door Johan B

spelling

Beter Schrijven: Bijwoord/Bijvoegelijk

1 / 10

En toen zag ik plots een … ballon aan de horizon.

2 / 10

Als mijn man kookt is de keuken altijd een smerige vettige vuile boel.

3 / 10

Lucinda is een…

4 / 10

De zon is een…

5 / 10

Wat je daar zegt is een …

6 / 10

Iedereen heeft schrik van de…

7 / 10

Wil je bij mij komen chillen? Dat is vet cool!

8 / 10

De vriendelijke kabouter woonde in een…

9 / 10

Die Cybertruck, dat was echt een …

(selecteer alle correcte opties)

10 / 10

Die Tesla was een…

Je score is

De gemiddelde score is 60%

0%

  1. Bijwoord Bingo
  • Het is niet echt ‘bingo’, dat klinkt gewoon goed. Wel leuk!
  • Verdeel de klas in 3 teams
  • Elk team stuurt een team lid naar de quiz-spot: de quizzers staan met hun rug naar het bord en het gezicht naar de klas
  • Quizmaster trekt een letter: bijvoorbeeld ‘h’
  • Kandidaat 3 zegt een zelfstandig naamwoord met ‘h’, kandiaat 2 voegt een bijvoeglijk naamwoord toe (grote hond), kandidaat 1 voegt een bijwoord toe: waanzinnig grote hond.
  • De drie gebruikte woorden worden in drie kolommen op het bord genoteerd: deze mogen niet meer genoemd worden. Wanneer dit toch gebeurt, is de kandidaat uitgeschakeld.
  • De drie kandidaten verwisselen van plaats na elke beurt: zo moeten ze elke beurt een andere woordsoort verzinnen.
  • Na dit spel hebben we een bord vol met woorden om over te beginnen nadenken: hoe werken ZNW, BNW en BW samen om betekenis te maken?

2. De Bijwoordspinner

Alle ‘bijwoorden’ in de spinner hieronder, zijn eigenlijk bijvoeglijke naamwoorden die als bijwoord gebruikt worden. Je hoeft de link maar ter beschikking te stellen en de leerlingen beginnen met plezier te draaien en rare combinaties te maken. Ze lezen ze ook met plezier voor oefenen zichzelf zo in de bw-bnw-znw: een onwijs toffe ervaring.

3. Leerlingen maken zelf een Bijwoordspinner

Stap 1: Pas het Google Spreadsheet-sjabloon aan 

  • Maak een kopie van dit sjabloon. (Je moet hiervoor inloggen met je Google-account.)
  • Bewerk de kolomkoppen in rij 2.
  • Je kunt maximaal 10 kolommen gebruiken.
  • Maak onder de kolomkoppen lijsten van woorden, namen, zinnen, etc. die je willekeurig wilt laten husselen.
  • Geef je Randomizer een naam door de tekst in cel A1 te wijzigen.
  • Bewerk geen enkele cel met een blauwe achtergrond.

Stap 2: Publiceer je spreadsheet

  • Ga naar BestandDelenPubliceren op internet en klik vervolgens op Publiceren.
  • Kopieer de link die in het dialoogvenster verschijnt (deze heb je nodig in stap 3). 

Stap 3: Ontvang je Flippity.net-link 

  • Klik op het tabblad Get the Link Here van het sjabloon (onderaan).
  • Plak de link die je in stap 2 hebt gekopieerd in cel A3.
  • Klik op de link die in cel A5 verschijnt om naar je Flippity.net-randomizer te gaan. 

Stap 4: Bladwijzer maken en delen

  • Maak een bladwijzer van de pagina om deze snel terug te vinden.
  • Deel de Flippity.net-link met iedereen die de randomizer wil gebruiken. 

4. De theoretische-historische achtergrond over bijwoord/bijvoeglijk naamwoord in het onderwijs.

Hoe moeilijk kan het zijn? Een bijvoeglijk naamwoord staat bij een zelfstandig naamwoord en een bijwoord staat bij een bijvoeglijk naamwoord. Een bijvoeglijk naam woord kan verbogen worden, een bijwoord niet: het is net zoals voegwoorden en voorzetsels onveranderlijk.

Veel grammatica moet er volgens mij niet aan vuilgemaakt worden. Wie in 2025 nog oefent op het verschil tussen bijv. nw. en bijw. zit eigenlijk nog vooroorlogs te werken. Voor de spellinghervorming was het belangrijk om te weten of het een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord was, omdat de spelling (-s of -sch) hiermee samenviel. Deze kwestie is sinds de spellinghervoming van 1946/7 een irrelevant geworden.

Alleen blijven we voor de spelling dagelijks of dagelijksch en voor het gebruik van zeldzaam (bijv. nw.) en zelden (bijw.) op het onderscheid letten. Maar wanneer wij in zinnen als: Angstig keek hij omZiek werd hij thuis gebrachtVroolijk liep hij de trappen op, – onderzoeken, tot welke woordsoort de gespatiëerde woorden gebracht moeten worden, dan is dit niet meer dan geestesgymnastiek.

C.H. Den Hertog, ‘Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord,’ in: Noord en Zuid, jaargang 12, 1889, p.579 e.v.

Voorheen dicteerde de spelling: deze wafelen zijn vers gebakken (bijwoord), maar: dit zijn versche wafelen. Of: geeft ons dagelijks ons dagelijksch brood.

Onze Taal, januari 1946

Toch een aantal opmerkingen: ‘Dansen’ is ongetwijfeld een werkwoord, maar dat wil niet zeggen dat het niet als zelfstandig naamwoord kan gebruikt worden: Dansen is leuk. Ook een bijvoeglijk naamwoord kan de rol nemen van zelfstandig naamwoord, dat is het geval bij een halve gare. ‘Halve’ en ‘gare’ zijn duidelijk allebei bijvoeglijke naamwoorden -ze zijn verbogen- maar toch functioneert de laatste als zelfstandig naamwoord. In de zin De steen is zeer hard is ‘zeer’ een echt bijwoord (dat staat bij een bijvoeglijk naamwoord) — maar deze bijwoord functie kan evengoed vervuld worden door een substantief: kei hard. Conclusie: hoe een woord syntactisch verbonden worden aan andere, geeft niet onmiddellijk informatie over de woordsoort.

Daarmee komen we op het punt dat een massa een bijvoeglijke naamwoorden op een bijwoordelijke manier kunnen gebruikt worden. ‘Echte’ bijwoorden herken je aan het feit dat ze nooit verbogen kunnen worden. Bij bijvoeglijke naamwoorden zetten we enkel bijwoorden van graad: zeer, nogal, weinig, een heel beperkte groep. Wie niet gelooft dat Jan loopt snel een bijwoordelijke bepaling bevat met als woord soort bijvoeglijk naamwoord, leest er best Onze Taal op na; of denkt na over de vraag of Jan loopt sneller ook een bijwoord bevat.

Ook zag ik de radicaal foute gewoonte om het aanvullende deel van de p.v. bij splitsbare werkwoorden aan te duiden als bijwoord — dit is radicaal fout. In de zin Ik zet mijn hoed op gaan we niet de woordsoort van ‘op’ bepalen, het is geen woord, het is een deel van een woord: een morfeem. Voor een deel is dat te wijten aan hoe Van Dale met bijvoorbeeld woorden zoals ‘op’ omgaat. Als Nederlandse verklarend woordenboek heeft het nut om nieuwe taalgebruikers op de betekenisverschillen te wijzen. In de zin ‘Ik zet mijn hoed op’ lijkt de betekenis van het voorzetsel het hebben, in ‘De vlieger gaat op’ lijkt het eerder een bijwoord.

Scholen zijn zoals AI: ze geven ‘kennis’ door zonder nadenken en deze kwestie is wel het meest hallucinerende voorbeeld dat ik ken. Ze leren je feiten, maar leren je niet ermee werken, er iets nieuws mee creëren, het toepassen in een nieuwe context. Indien we dit niveau willen bereiken zullen ook de leerkrachten moeten beginnen het voorbeeld te geven: d.w.z. zelf lesmateriaal maken. Zeker voor de verdoemde grammatica-oefeningen: je beseft nooit dat het altijd complexer is dan een oefening kan vatten van zodra je zelf oefeningen begint op te stellen. Of gewoon even de ANS bekijken, dat heeft hetzelfde ontmoedigend effect.

WW-Traject: levels 1 en 2

Zoals uitgestippeld en aangekondigd in een eerdere blogpost, is hier het eerste deel van het WW-Traject. Voorlopig zijn er drie oefeningen beschikbaar:

Level 1: onvoltooid tegenwoordige tijd voor werkwoorden met stammen die niet eindigen op -d en bijhorende inversies.

0 stemmen, 0 gem
21

Je hebt 100 seconden voor 10 oefeningen…

Je tijd is helaas op. Probeer opnieuw, het gaat dan vast beter!


Aangemaakt op Door Johan B

WW-Traject: level 1

Oefeningen in de onvoltooid tegenwoordige tijd, zonder dt.

1 / 10

… je moeder ook voor een lange reis naar Australië.

2 / 10

Tante Mien … onze buren altijd vriendelijk.

3 / 10

Erika en Jan … geld voor hun eerste huis.

4 / 10

Wij … samen naar het juiste antwoord.

5 / 10

U … alle documenten voor de vergunning.

6 / 10

U … het contract na een grondige lezing.

7 / 10

… jij in wonderen of in toeval?

8 / 10

… je moeder ook naar het feestje?

9 / 10

Zij … snel na de lange training.

10 / 10

Wij … dat het morgen mooi weer wordt.

Je score is

De gemiddelde score is 91%

0%

Afsluiten

Level 2: enkel werkwoorden met stammen die eindigen op -d

0 stemmen, 0 gem
12

Je hebt 100 seconden voor 10 meerkeuzevragen. Succes!

De tijd is helaas afgelopen. Probeer opnieuw!


Aangemaakt op Door Johan B

WW-Traject: level 2

Onvoltooid Tegenwoordige Tijd met werkwoorden met -d in de stam + inversies.

1 / 10

Morgen … Hansje 14 jaar.

2 / 10

… jij dit een geweldig idee?

3 / 10

Ik … de hond uit de sloot.

4 / 10

Tijdens de biologieles … mijnheer Vogel elk jaar een levende kikker.

5 / 10

Ik denk dat ik me ziek vandaag gewoon ziek …

6 / 10

Zonder problemen … ik het team door deze moeilijke tijd.

7 / 10

Waarom … jij altijd uit op het ijs?

8 / 10

Het … hevig, maar het is niet diep.

9 / 10

… Elisa al haar tijd aan studeren?

10 / 10

In dit hotel, … ik echt in luxe.

Je score is

De gemiddelde score is 48%

0%

Level 1+2: een mix van de twee bovenstaande oefeningen:

0 stemmen, 0 gem
11

Je hebt 100 seconden voor 10 opgaven. Succes!

Je tijd is op. Probeer opniuew


Aangemaakt op Door Johan B

WWTraject: level 1+2

Onvoltooid Tegenwoordige Tijd: werkwoorden met gewone stam (50%), werkwoorden met -d stam (50%). Dans/danst/dansen; Word/wordt/worden.

1 / 10

Erika en Jan … geld voor hun eerste huis.

2 / 10

De man … met zijn advocaat.

3 / 10

… ik weeral de boodschappen?

4 / 10

Zachtjes  … de poes op de schoot van de eigenaar.

5 / 10

Wij … onze buren altijd vriendelijk.

6 / 10

… Elisa al haar tijd aan studeren?

7 / 10

… jij dit een geweldig idee?

8 / 10

Jij … toch voor gelijke rechten, net zoals ik?

9 / 10

Je … je best tot het studentensecretariaat met dit probleem.

10 / 10

U … best naar voren om te spreken.

Je score is

De gemiddelde score is 73%

WW-Traject: efficiënte werkwoordentraining

Hier is ultieme werkwoordentest: tien items. Wie alles correct heeft, heeft niets meer bij te leren. Of er instinkers tussenzitten? Neen, het zijn allemaal instinkers.

0 stemmen, 0 gem
75

Je hebt 100 seconden voor 10 meerkeuzevragen.

De tijd is op! Helaas pindakaas…


Aangemaakt op Door Johan B

WW-traject: teaser

De 10 allermoeilijkste dt-opgaven

1 / 10

… je hond ook door die vervelende buurtkater lastiggevallen?

2 / 10

Hij … een nieuwe auto kopen.

3 / 10

Als dat …, is het niet mijn schuld.

4 / 10

Gij allen, broeders, gaat heen en … het woord van Christus.

5 / 10

Heb jij wel eens, zo als bijverdienste, … ?

6 / 10

Ik, die zoveel van bloemen …, bedank jullie allemaal voor dit prachtige geschenk!

7 / 10

Zeg, Smulsmurf, heb jij misschien gisteren alle smurfbessen …

8 / 10

Het ongeval is op een zondagochtend om 5u in de dichte mist …

9 / 10

Naar … zijn er problemen op de E40.

10 / 10

… u tot de buschauffeur voor meer informatie.

Je score is

De gemiddelde score is 69%

De gemeenste dt-quiz ooit — probeer ‘m nu!

LinkedIn Facebook
0%

Feedback is altijd welkom…

Bedankt om tijd uit te trekken voor feedback. Dit wordt zeker in rekening genomen.

De problemen met het bestaande werkwoordtraining zoals ik het vaak zie:

  1. Elke werkwoordstijd is een systeem op zich, dat apart begrepen en ingeoefend moet worden.
  2. De stam van een werkwoord is vaak, maar niet altijd gelijk aan de eerste persoon. De eindklank van de stam van zweven is een /v/ en daarom krijgt het een uitgang met d.
  3. De tijden gaan niet alleen over verleden, heden, toekomst maar ook over aspect: beschouwt de spreker het beschrevene als voltooid of is er een effect in het heden (onvoltooid)? ‘Ik heb gedanst’ is een tegenwoordige tijd! Het is wel een voltooide vorm (perfectum): nu heb ik een dansje achter de rug.
  4. ’t Kofschip: als leerlingen op het niveau zijn aanbeland dat er ook over morfologie en fonetiek wordt gesproken, mogen ze toch eindelijk wel eens weten waarom de letters in van ’t kofschip zijn wat ze zijn: stemloze medeklinkers.
  5. Modale werkwoorden: jij wil of jij wilt? hij wil of hij wilt? Hier wordt in het algemeen te weinig op geoefend.
  6. Consequente werkwoordsvormen met u, is vaak een probleem. Met u gebruiken we de tweede of de derde persoon, maar wel consequent. Dus niet: u heeft (3e p.) het formulier toch ontvangen en bent (2e p.) ermee naar het postkantoor gegaan.
  7. Werkwoordsvormen zijn, zoals alle talige elementen, onderhevig aan historische evolutie. Voor de werkwoorden hangt die voornamelijk samen met de evolutie van gij naar jij, die in Vlaanderen nooit (volledig) heeft plaatsgevonden. De voornaamste voorbeelden zijn: -t in de imperatief meervoud (neemt allen uw boek) en de -t in de tweede persoon onvoltooid verleden tijd van onregelmatige werkwoorden: Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad (Jes 22:9) of Mijn bozen daân Gij naamt die gunstig weg (1773; Ps 32:3). In deze context is ook te wijzen op de recente evolutie van je kunt/zult naar je kan/zal en de voorkeur voor deze vormen bij de beleefdheidsvorm ‘u’.
  8. Elke oefening op werkwoordspelling test alleen het beheersen van de regels, niet de toepassing ervan tijdens een realistische schrijftaak.
  9. Wie niet schrijft, maakt geen fouten. Uiteindelijk zijn werkwoordsoefeningen goed om alle kennis correct te ordenen, maar geen garantie op vlekkeloos spellen. Dat weten echter enkel degenen die veel zelf (veel) schrijven – niet alle leerkrachten behoren tot deze groep. Het kan niet dat leerkrachten Nederlands geen boeken lezen, maar het kan wel dat ze nooit een tekst schrijven? Zeker de blinde voltooide deelwoorden: bekend/t, gebeurd/t enzoverder blijven waanzinnige instinkers, omdat hier het absolute paardenmiddel, luidop voorlezen, niet helpt.

Het enige dat nieuw en belangrijk is aan het traject zoals ik het voorstel, is de volgorde van de oefeningen. De methode, indien die naam waardig, zit louter in het apart aanbieden, begrijpen en inoefenen van de verschillende systemen.

INDICATIEFverledentegenwoordigtoekomstig
onvoltooidik dansteik dansik zal dansen
voltooidik had gedanstik heb gedanstik zal gedanst hebben

Stappenplan

  1. Indicatief – OTT – dans(t), dansen + alle inversies. Enkel transparante werkwoorden, m.a.w. geen -d op het einde van de stam. 
  2. Indicatief – OTT – word(t), worden + alle inversies. Enkel werkwoorden met -d op het einde van de stam. 
  3. Mixoefening van 1 en 2 met inversies. 
  4. Imperatief met transparante stammen
  5. Imperatief met -d stammen
  6. Mixoefening van de Imperatief 4 en 5
  7. Mixoefening van al het voorgaande
  8. Indicatief – OVT – danste(n), volgde(n)– met werkwoorden zonder -t of -d in de stam
  9. Indicatief – OVT – praatte(n), duidde(n) met werkwoorden met -t of -d in de stam
  10. Mixoefening van 8 en 9
  11. Mixoefening van al het voorgaande
  12. Indicatief – VTT gedanst, gevolgd
  13. Indicatief – VTT of OTT het gebeurt/is gebeurd onzichtbare voltooid deelwoorden
  14. Vervoeging van leenwerkwoorden
  15. Onbestaande voltooide deelwoorden
  16. Finale Supermix oefening

Felix Timmermans’ ultieme lentegedicht (1945)

Dit gedicht was mij al een paar jaar bekend dankzij een van de interessantste (niet omvangrijkste) bloemlezingen van Nederlandse poëzie. Wat een feest van een gedicht, wat een vitaliteit, directe taal, mooie natuurbeelden en kleurig Vlaams. Bij nadere bestudering merkte ik dat het gedicht gedateerd is ‘1944’.

De lente van 1944 is het einde van de Tweede Wereldoorlog. Plots krijgt een leuke lentegedicht een onwaarschijnlijke portee die wel diep moet ontroeren, of alleszins bij mij dat effect had. Timmermans wordt al te vaak lichtvoetigheid verweten, maar hier is het een zeer subtiele kracht. Het is en blijft een parel van een gedicht.

Maak een Middeleeuwse Hypertext: Anna Bijns’ Verrassende Refereinen

Maak een laat-middeleeuwse tekst leesbaar links naar het Woordenboek der Nederlandse Taal te integreren in je tekst.

Ter voorbereiding van de lessen over de rederijkers, kwam ik tot het besef dat ik nog nooit Anna Bijns (1493-1575) gelezen had. Gelukkig is er dbnl.org waar een prachtige bloemlezing van prof. Herman Pleij beschikbaar is. Qua algemene inleiding op Anna Bijns, is zijn nawoord essentieel.

Het lesverloop (voorlopig ongetest) zie ik als volgt:

  • Inleidend: Leesproef: Wikipedia: Rederijkers
  • (Luisteroefening: korte inleiding over Anna Bijns en haar complexe verhouding tot de rederijkers, positie tijdens de reformatie, door prof. Veerle Fraeters. Waardevolle opname op het vlak van uitspraak, maar zwaar problematisch qua inhoud. Prof. Fraeters concludeert dat Anna Bijns niet zo past in deze tijd van verdraagzaamheid. Ook verhaalt ze de mythe dat Bijns’ uitgever wegens het uitgeven van de Lutherbijbel werd terechtgesteld, waarbij Wikipedia ons leert dat hier ondertussen serieuze kanttekeningen bij gemaakt kunnen worden.)
    • Spreken/Lezing ‘Het waar goed huwen, maar sorge is de plage’: ik lees het refrein één keer helemaal door, zonder woordverklaringen. Ik probeer er een performance van te maken zoals dit hoort bij rederijkerspoëzie: met gebaren en gepaste intonatie. De woordenschat van deze gedichten is vaak ook voor de tijd experimenteel. Ik probeer ook de leerlingen tijdens de lezing de stokregel aan te leren, d.w.z minstens te antwoorden met “maar sorge is de plage”
      • Woordverklaring eerste strofe: ik ga door de eerste strofe en toon de leerlingen via projectie, hoe ik elk woord heb opgezocht én gevonden in het WNT. Het was een persoonlijke revelatie, maar ik wist het al: de teksten van Bijns behoren tot het corpus van het WNT.
      • Opzoektaak met WNT: we lezen de tweede strofe. We stoppen bij elk moeilijk woord en de leerlingen zoeken in teams van 2 de betekenis op in het WNT
      • De leerlingen kiezen in groepjes van 2 een gedicht uit de bundel ’t Is Al Vrouwenwerk en maken een hypertekst van hun gedicht. Dat is een tekst waarin de woordverklaring minstens via een hyperlink naar het WNT gegeven wordt.
      • Schrijftaak: de leerlingen schrijven een interpretatie/hertaling/bewerking van het gedicht.

Hieronder mijn hypertekst:

Het resultaat van klassikaal werk: