Geertrui Daem, ‘Nietwaard’: de omgekeerde leugenaarsparadox

Geertrui Daem (Facebook)

Een hartverscheurende getuigenis van een zwaar mishandeld kind of problematische getuigenis van een getraumatiseerd, fabulerend slachtoffer?

Klassiek voorbeeld van de onbetrouwbare verteller. Enkel bij een herbeluistering van dit radioboek worden we er ons bewust van hoe problematisch deze getuigenis is: in de openingszin horen we al “volledigheid durf ik niet betrachten.” Verder is de hele getuigenis doorspekt met details die variëren van ongeloofwaardig (een 8 op het rapport voor twee nullen aanzien) tot onmogelijk (eieren bakken op roodgeslagen billen). De verteller zegt ons dat ze nu haar verhaal kan vertellen omdat mama Mia, de enige getuige van wat er met het gezin gebeurd is, overleden is. Dit kan alleen maar betekenen dat we niet het hele verhaal gehoord hebben.

Het is een omgekeerde leugenaars-paradox: naarmate we meer vernemen over Nietwaards vermeende mishandeling, wordt het duidelijk dat haar verhaal doorspekt is met leugens en verzinsels. Haar leugens en verzinsels ontkrachten haar verhaal misschien wel in alle details, maar zijn zelf een onmiskenbaar symptoom van haar reëel trauma, van welke aard dat ook mag zijn. De flagrante leugens zijn een product van haar trauma, maar wat dat trauma precies is, lijkt onmogelijk te achterhalen.

Dat er door het hoofdpersonage gefabuleerd wordt, is bij uitstek duidelijk door de bijna sprookjesachtige elementen in het verhaal: de oude wijze vrouw, het bolletje wol, de adoptie door mama Mia. Merk ook op dat dit luisterverhaal aansluit bij de eigenlijke moraal van sprookjes zoals Hans en Grietje: elk kind fantaseert wel eens dat het bij ‘andere ouders’ beter zou zijn, maar let op, voor je het weet kom je bij een heks terecht. De gruwelijkheid die op het randje van het komische lijkt te balanceren, is ook meer typisch voor de originele oude middeleeuwse volksverhalen.

Er valt in deze context ook iets te zeggen over de complexe dader-slachtofferdynamiek waarbij het slachtoffer dader wordt. Misschien niet van dezelfde soort daden, maar met andere sociopathische trekken (pathologisch liegen).

Erik Vlaminck – Het groot huisvuil en de buren

Het is met geen mensenverstand te begrijpen, mijnheer. Ze woont in een half open bebouwing, ze heeft ramen met dubbel glas, ze heeft een afwasmachine, ze heeft een droogkast van Miele. Ze heeft zelfs nen platten teevee…en toch heeft ze een depressie. Zoiets is toch niet te begrijpen!

Misschien wel het sterkste Vlaamse radioboek van de hele collectie van meer dan honderd verhalen. Vlaams in zijn setting en in de stugge, onverzettelijke geest van Streuveliaanse hoofdpersonage dat er maar niet in slaagt te begrijpen dat er ook andere perspectieven op het leven zijn dan de zijne.

Erik Vlaminck slaag er met een typische couleur locale sympathie te generen voor een uiterst onsympathiek personage. Door het perspectief van de hoofdpersoon als enige focalisatie te gebruiken, beleeft de luisteraar een mentale katharsis: we hebben het standpunt een onsympathiek en misschien zelfs crimineel personage beleefd. We zijn in zijn redeneringen meegegaan, omdat we geen andere informatiebron hadden.

Ben Ali Libi: Willem Wilminks gedicht en twee ‘co-teksten’

Deze leesoefening gaat uit van het gedicht ‘Ben Ali Libi’, een ingekorte versie van het wikipedia-artikel en een advertentie van de kunstenaar zelf. Je kunt de oefening zelf digitaal uitproberen, maar er is ook een papieren versie opgenomen in het pakket.

Lespakket: Willem Wilmink Ben Ali Libi
Lespakket: Willem Wilmink Ben Ali Libi
  • Takenbundel leerlingen met teksten (PDF)
  • Takenbundel oplossingen
  • 3 Teksten apart (PDF)
  • Takenblad zonder teksten (PDF)
Size: 4.2MB
Version: v 1.0
Published: 16 januari, 2026

Het gedicht van Wilmink is geniaal in dat het de kwestie bijna zo pijnlijk stelt als Het dagboek van Anne Frank dit doet: wat heeft een meisje van 14/een goochelaar misdaan om dit lot te verdienen? Beide verhalen dragen de verschrikking uit zonder zich in gruwelijkheden te verliezen. We weten hoe het afloopt: een daarom is de afloop het begin van het gedicht.

De derde tekst is de laatste vermelding in de Nederlandse kranten van de naam voor meer dan vijftig jaar.

Het Joodsche Weekblad, 5 juni 1942

Ik was hier niet naar op zoek: ik zocht gewoon een illustratie. Een conclusie dringt zich onmiddellijk op: de vrienden van de weduwe Rost waren niet nodig om Ben Ali Libi te arresteren. Midden 1942 staat hij nog mij naam en adres in de krant. Die krant is een uitgave van de Joodse Raad en dat is een door de Duitsers opgericht orgaan. En zelfs dat was niet het probleem: elke Jood was immers al lang geregistreerd en verplicht en ster te dragen. Dit had het begrijpelijke gevolg dat hoe dichter je bij de Joodse Raad stond, hoe groter de kans was dat je familie ontzien werd.

Alleen in dit strookje vinden we al drie personen met naam en adres die de bezetter zou kunnen gaan arresteren. Naast onze goochelaar is er nog Siegfrid Courant en J. Sloghem. De laatste werd uiteindelijk ook gearresteerd, maar overleefde de kampen. Met Courant liep het niet anders als met Ben Ali Libi:

De perversie van oorlog is niet het menselijk leed, dat is het drama van oorlog. Dat vrienden, buren, geloofsgenoten elkaar beginnen verraden, dat is de perversie van oorlog.

Kruispunt Waalstraat-Merwedeplein, Amsterdam, Google Maps

Het is opvallend hoe het verhaal terug dat van de familie Frank raakt als we de afstand tussen de twee gezinnen bekijken: letterlijk een boogscheut. Er zijn echter grote verschillen: de Franks waren ‘nieuwe Nederlanders,’ pas eind 30’er jaren in Amsterdam gearriveerd en niet zo sociaal ingebed als sommige andere Joodse Nederlanders in Amsterdam. Misschien was dat net de reden dat Otto Frank het zeker voor het onzekere koos?

Vaak is de genialiteit van de auteur -en dat geldt hier a fortiori voor Willem Wilmink- niet in het maken van de stof, het verhaal, maar het kiezen en ensceneren ervan. Zoals je hieronder hoort vertellen door Joost Prinsen, was de keuze van het onderwerp bij Willem heel snel gebeurd. Het maken van het idee tot een gedicht, een echte tekst, heeft soms veel langer nodig. Het idee was al klaar: “De nazi’s willen de hele wereld gaan domineren, maar dan moeten wel eerst even die goochelaar opruimen, anders lukt het niet.” Zo geformuleerd, raak het niemands koude kleren; het is de uitvoering (enscenering) van dit idee in concrete verzen, die het gedicht de kracht geven die iedereen ervaart.

Naturalistisch toneel: Cyriel Buysses ‘Driekoningenavond’ (1899) hertaald

Gratis lespakket op basis van een hertaling van het oorspronkelijk in Oostvlaamse spreektaal geschreven toneelstuk van Cyriel Buysse. De focus is het opbouwen van dramatische spanning in het exposé en de algemene kenmerken van naturalistisch theater.

Elk toneelstuk begint met een exposé: er moet een heleboel informatie over de personages en de intrige gecommuniceerd worden. Dat kan altijd langdradig worden, en de toneelschrijver mag in het eerste bedrijf de aandacht van de kijker niet verliezen. Het antwoord hierop is dramatische spanning en Buysse slaagt erin die naadloos in het exposé te verwerken. Samen met Vrouw Cloet worden we bang, zonder exact te weten waarvoor we angst hebben.

Lespakket – Cyriel Buysse ‘Driekoningenavond’ (1899)
Lespakket – Cyriel Buysse ‘Driekoningenavond’ (1899)
  • Hertaalde tekst: eerste scène ‘Driekoningenavond’ in PDF
  • Begripstest met 12 vragen op 15 punten in PDF
  • Twee foto van Cyriel Buysse in JPG
Version: v 1.0
Published: 7 januari, 2026

Probeer de meerkeuzevragen online uit op Wayground

Vrouw Cloet heeft het tijdens de gevangenschap van haar echtgenoot Cloet moeten aanleggen met de buurman Rosse Tjeef en dit heeft geleid tot een ongewenste (!) zwangerschap. Deze zaterdagavond wordt Cloet mogelijk vrijgelaten en zal hij naar huis komen om de ontrouw van zijn echtgenote te ontdekken. Terwijl vrouw Cloet het hele verhaal doet aan de buurvrouw, wordt ze geregeld onderbroken: het is Driekoningenavond en kinderen gaan de deuren langs om te zingen voor giften. Telkens is er de vraag (bij Vrouw Cloet én het publiek): is hij het?

De opening van Hamlet werkt op gelijkaardige manier: soldaat Bernardo staat op wacht en wordt afgelost door zijn maat Francisco. De eerste woorden van Bernardo: “Who there?” zetten de toon voor het hele stuk: Wat is echt? Wat is inbeelding? Was het mijn vriend of een geest? Het is ook de meeste bondige formulering van de vraag die Hamlet bezighoudt: wie schuilt er achter de verschijning: God of de duivel? Shakespeare verliest in hier ook geen tijd met een exposé – onmiddellijk wordt de sfeer gezet, het thema geïntroduceerd en dramatische spanning gecreëerd: triple whammy.

Qua layout, heb ik voor optimale ‘modernisering’ het formaat van filmscript gekozen. Ik heb een poging ondernomen de tekst met zo weinig mogelijk ingrepen te moderniseren: de originele dialogen (niet de regieaanwijzingen!) zijn in een getranslitereerd Oost-Vlaams dialect waarmee zelfs Vlamingen die niet uit deze regio komen, problemen zullen hebben. Hier een voorbeeld:

Joa ’t zulle… de stroate ligt huel de gans wit, en as ’t nie en woare van ’t laweit van de wind en ’t zijngen van de kinders, g’en zoedt gij gien muizeken mier huere piepen. D’r ligt al ten minste ‘nen halve voet snieuwe. De kinders die nog veur de deuren stoan te zijngen zien d’r hiel de gans wit van, en de dutsen stoan zuedanig te dudderen da z’ er van blitten gelijk gietses. Als ‘k noar hier kwam ben ‘k de sandurms tegengekomen die op ulder nachtronde uitgijngen: ze zagen d’r precies uit lijk spueken onder ulder lange mantels…

Dit werd herschreven naar het volgende:

Ja, hoor… de straat ligt helemaal wit, en als ’t lawaai van de wind en ’t zingen van de kinderen er niet was, je zou geen muisje meer horen piepen. D’r ligt al minstens een halve voet sneeuw. De kinderen die nog voor de deuren staan te zingen, zijn helemaal wit, en de schaapjes staan zo te bibberen dat ze ervan wenen als gieters. Toen ik naar hier kwam, ben ik de politie tegengekomen die op nachtronde ging: ze zagen er net uit als spoken met hun lange mantels…

Bespiegelingen bij de eerste Suske & Wiske prent (1945)

Op 20 december 1945 verschijnt de eerste Suske en Wiske strip in De Nieuwe Standaard. Dat was niet de eerste Vandersteen strip in de vernieuwde krant: vanaf 30 maart 1945 (exact een maand voor Hitlers zelfmoord) tot 15 december was er al Rikki en Wiske. Het is echter de eerste plaat van Het Eiland Amoras die voor mij heel oeuvre van Vandersteen samenvat.

De Nieuwe Standaard, 20 december 1945

De horizon op de achtergrond werkt als een tijdslijn: de middeleeuwse molen, de 19de-eeuwse stoomboot en het moderne 20ste eeuwse viaduct, allen samen gevat in één moment. En het is exact dat wat de Suske & Wiske strips doen: ze spelen zich altijd af in een spanningsveld tussen het verleden en het heden.

Ook de generaties worden op dezelfde lijn geplaatst: Sidonia als oudere generatie links en Wiske, de nieuwe generatie, aan de moderne rechterkant.

En congruent met deze generaties, zien we de verschillende genderpatronen: de oudere vrouw houdt zich aan de traditionele activiteiten: breien, weven. Wiske daarentegen, doet een activiteit die traditioneel door mannen gedaan wordt: vissen.

Zelfs het gegeven om het verhaal te openen met twee vrouwen, is uitzonderlijk en geen toevalligheid. In de aankondiging van dit verhaal, wordt de mannelijke hoofdfiguur Rikki simpelweg de laan uit gestuurd: “hij moet gaan aanschuiven voor een schoenbon.” De oorlog is voorbij, maar de rantsoenering nog lang niet.

Rikki moest verdwijnen omdat hij als oudere broer van Wiske, altijd de actie zou domineren. Die rol wilde Vandersteen voor Wiske, die hij het hier onmiddellijk tot koningin van Amoras laat schoppen.

Dit is wellicht het meest opmerkelijke aan de reeks: in tegenstelling tot vrijwel alle strips uit deze periode, zijn de vrouwen centraal in het verhaal: alles start bij Wiske (en Sidonia) en er komt nooit een mannelijk personage bij dat alle aandacht naar zicht toetrekt. Er is in dat opzicht een treffende gelijkenis met een van de meest revolutionaire kinderboeken ooit: Astrid Lindgrens Pipi Langkous, oorspronkelijk gepubliceerd op 26 november 1945, een kleine week na Op het Eiland Amoras.