Carolina Trujillo – De Instructies (2024)

Een leesoefening rond de openingspagina’s van Carolina Trujillo’s recente roman De Instructies. Het was al langer een idee iets te doen met de gratis fragmenten van nieuwe romans die elke zichzelf respecterende uitgever publiceert. Je deed het vroeger in de boekenwinkel: de eerste pagina’s van een boek uitproberen. Nu kan het online, van thuis uit, gratis, met een massa aan nieuwe publicatie, fictie en non-fictie.

Een leesoefening rond de openingspagina’s van Carolina Trujillo’s recente roman De Instructies. Het was al langer een idee iets te doen met de gratis fragmenten van nieuwe romans die elke zichzelf respecterende uitgever publiceert. Je deed het vroeger in de boekenwinkel: de eerste pagina’s van een boek uitproberen. Nu kan het online, van thuis uit, gratis, met een massa aan nieuwe publicatie, fictie en non-fictie.

Lezen Carolina Trujillo – De Instructies (2024)
Lezen Carolina Trujillo – De Instructies (2024)
  • Doelpubliek: 12-16 jaar
  • Inhoud
    • PDF: het volledige eerste hoofdstuk
    • PDF: het fragment voor de leesoefening
    • PDF: Leestaak – werkblad
    • PDF: Leestaak – oplossingen
Size: 679 kB
Published: 30 december, 2025

Deze les is bestemd voor 12-16 jarigen en bevat literaire metataal (auteur, uitgeverij, titel, …), tekstbegrip, vragen over vertelperspectief, woordenschat in het verhaal en appreciatie.

Voor zij die nu nog lezen: dit romanfragment heeft mij van een euforie in een depressie doen belanden. Mocht ik dit boek in de boekenwinkel geprobeerd hebben, ik zou het gekocht hebben. Nu ik het hele eerste hoofdstuk gelezen heb, ben ik heel blij dat ik niet ik bij de boekenventer stond. Dit behoeft enige toelichting.

Het boek heeft veel weg van een tv-serie: in de eerste paragraaf liggen we al tussen het nieuwjaarsvuurwerk in een sloot verkleed in een doe-het-zelf varkenspak gemaakt van een slaapzak, op de achtergrond het geluid van een technoparty. We worden recht de in de actie gegooid (in medias res) zonder dat we goed begrijpen wat er eigenlijk aan de hand is. Hoe zijn we in godsnaam hier aangeland? Bekijk nogmaals de opening van de pilootaflevering van ‘Breaking Bad’: waarom vliegt er een broek door de lucht? wie zijn dit in de camper? waarom hebben ze gasmaskers opgezet en heeft die ene geen broek aan? waarvoor of voor wie vluchten ze? wat heeft hij gedaan?

De hele eerste aflevering helpt ons begrijpen hoe we hier (schijnbaar al een eindpunt) gekomen zijn. Opmerkelijk ook: het einde van de eerste scene is het einde van de eerste aflevering.: scene 1 is een mise-en-abyme, een voorafspiegeling van het geheel.

De Instructies tracht iets vergelijkbaars, de openingsscène is geniaal. Dan gaat het snel bergaf: het wordt al snel duidelijk dat het om een bende terroristen gaat, al is he doel van hun actie zelfs in het eerste hoofdstuk niet duidelijk.

  • tijd/plaats/persoon: worden neergezet in de eerste zin, maar dan ook slechts halfjes. Het tijdskader blijft onduidelijk: p.5-6 house muziek, dus post 1990…; p. 8 molotovcocktail, zijn dit jaren ’80? p.10 xtc 1990? maar op dezelfde pagina worden camera’s gemonitord via een mobiele telefoon, dus toch na 2010; p.14 verschijnt de elektronische sigaret, we zijn dus na 2015. De auteur heeft tien pagina’s nodig om duidelijk te maken of het verhaal zich in het nu afspeelt, of in gloriedagen van de eerste eco-warriors. De geografische setting blijkt ook niet echt van belang: Amsterdam of Enschede, Brussel of Kuttekoven, de auteur geeft ons geen enkele hint.
  • onrealistische persoonlijke verteller: als de verteller een personage is, dan hoort er consistentie te zijn met de stijl van praten, vertellen. “Met een vaste baan”, “aan de rand van een industriegebied” zijn geen realistische uitspraken voor iemand die erbij was. Trouwens, het wordt wel benoemd op pagina 7 “industrieterrein De Trechter”. Op p.10 moeten we vermoeden dat onze verteller doctor in de sociologie is: “Stedelingen van die leeftijd hebben partydrugs gedaan zoals andere generaties rookten.” Dit is een probleem dat ik heb met een heleboel moderne literatuur: velen gebruiken de persoonlijke verteller, maar verglijden tot een auctorieel standpunt: ze komen met bewoordingen, uitspraken, beschouwingen en vergelijkingen die het personage niet zou maken.
  • feitenkennis en realisme: op pagina 6 van de roman komt het hoofdpersonage, verkleed als varken, kruipend een echt varken tegen, dat in een wei aanpalend de slachterij, de slachting afwacht. Dan ben ik als lezer ik de war: hallucineert de verteller? Varkens (voor de vleesindustrie) komen nooit de stal uit en al zeker niet ’s nacht “bij twee graden onder nul”(p.10). Het markeren van dieren met nummers zie je misschien bij geiten of schapen, niet in de moderne voedselindustrie. Dieren hebben oormerken waarmee ze van geboorte tot slachting perfect worden opgevolgd, dit tegenwoordig zelfs een RFID bevatten en dus kunnen gescand worden. Op pagina 7 worden door twee personages lantaarnpalen onklaar gemaakt door ertegen te “schoppen” (?) en eentje door er even een baksteen tegen te gooien. Als dat echt in de roman moet, beschrijf het dan uitgebreid, alle pogingen en wat er gebeurt als die baksteen dan toch een keer op je smoel valt.
  • technische kennis: het team gebruikt een pijpbom: een metalen buis gevuld met projectielen en een explosieve lading, hier strijkers, in Vlaanderen meestal piratten genaamd (p.11). De bedoeling van zo’n pijpbom om zoveel mogelijk mensen in de omgeving te verwonden of te doden met de projectielen (meestal spijkers en ander scherp metaal). Dit is eentje zonder projectielen, die in een brievenbus wordt gestopt – hoe werkt dat? Het is makkelijker voetzoekers aan te steken en in de brievenbus te stoppen. Ook de detonatie van de bom is een mysterie: de teamleden liggen op afstand naar de fabriek te kijken en tellen af, dan gaat de bom af? Hoe? “Zo ingewikkeld was zo’n bom niet” (p.11)
  • taalzuiverheid: p.6 “Ik was terug op aan land.” toont het niveau van de schrijfster aan, die geen moedertaalspreker van het Nederlands is en het (slordige) werk van de redactie; p.8-9 “D. zei dat zijn doppen het betrouwbaarste waren dat er bestond.”; p.9 “Op ons buik in het weiland…”, “geen vuurwerk de lucht in ging” moet volgens mij ‘inging’ zijn en vooral p.13 “(…) met een kleine rugzak op een parkbankje, . Ze was altijd (…)” en twee regels later, de ontbrekende komma tussen twee pv’s in “Als we eenmaal begonnen was er niks aan de hand”; p.14 “Wie komen er?” wordt echt door geen enkele Nederlandstalige gebruikt: “Wie komt er?” zelfs als we weten dat er meerdere personen komen. Idem p.14 “Mogen we weten wie er bevestigd hebben?”. Ook p.12 “hij stond op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats” is getranslitereerd uit wrong time, wrong place, terwijl we in het Nederlands zeggen “op de verkeerde plaats, op het verkeerde moment”. Op p.15 “Daarna kwam het tweede been waarin een zilverkleurig scharnier de knie vormde” moet minstens waarvan hebben, maar is als geheel gewoon knullig neergezet. Beter simpler: “Daarna kwam het tweede been, met een zilverachtige kunstknie.”
  • literaire taal: p.8 “plat op mijn buik”, p.9 “op ons (sic; cf. infra) buik”, p.10 “op zijn buik in het gras” – weinig fantasie en variatie in het taalgebruik. Zelfs fictieve namen: ‘Dinosaurs Dance Delight’ (p.6), het slachthuis ‘Precious Meat B.V.’, de leden Abby, Mayo, Dimitros, Chip van het team Pruimen (p.9). Terwijl ik ook wel begrijp dat het niet Team Roastbeef kan heten, begint het allemaal toch echt wel stripverhaalachtig aan te doen.
  • geloofwaardige personages: p.10 “Ik vond (Chip) nogal blij grijnzen voor iemand die van nature chagrijnig keek. Hij had wenkbrauwen in puntige dakjes, zodat het leek alsof hij altijd boos was. Nora zei een keer dat hij een resting bitch face had. Doris zei dat dat een resting asshole face heette. Met een wat verwijfd gebaar zei Chip dat hij dan liever een resting bitch face had.” Dit zijn toch veel woorden om zeggen dat hij een chagrijnige asshole is. Op p.13 is de beschrijving van Doris al even oppervlakkig: zandloperfiguur, spleetje tussen de tanden, hoop tattoos, neusringetje, rotkarakter.

Boeken promoten door een fragment digitaal te verspreiden is een prachtige evolutie. Ook uitgeverijen lezen van ingezonden manuscripten ook enkel de eerste 20-30 bladzijden voor ze beslissen of ze verder lezen. In de winkel zou ik slechts de eerste pagina gelezen hebben en dan gewoon het boek gekocht hebben. De opening is ijzersterk, maar het boek houdt het geen 20 bladzijden vol: waarom beland je, verkleed als een varken, met nieuwjaarsnacht in een poel op een industrieterrein? Daar moet toch een heel verhaal achter schuilen? Neen, na een paar bladzijden weten al precies wat er aan de hand is en is de spanning van de ketel en het vet van de soep.

Ik haalde hierboven al episode 1 van Breaking Bad aan, maar een beter nog beter, ouder en meer literair voorbeeld is Umberto Eco’s Slinger van Foucault (1988): op pagina 14-15 verstopt het hoofdpersonage zich in een Parijs museum, want er gaat die nacht iets vreemd gebeuren. Waarom hij dat denkt en hoe hij tot die conclusie gekomen is, komen we te weten tijdens 575 pagina’s flashbacks die ook ons, als lezer, indoctrineren met historische toevalligheden en correspondenties, zodat we misschien geloven wat in de laatste bladzijden beschreven wordt. Dit is een meesterwerk omdat geen enkele lezer compleet immuun is voor alle theorieën en verbanden die worden geponeerd: het toont aan hoe vatbaar mensen zijn voor pseudowetenschap.

Storend zijn vooral de zetfouten, taalfouten, schrijven zonder kennis van zaken (varkens, pijpbommen, …) en de personages die eendimensionaal blijven. Het is wellicht een goede tekst om te bewerken tot een scenario, maar als boek is het psychologisch echt ondiep. Dat is natuurlijk geen probleem wanneer je voor film werkt: dat is net wat een goed acteur bijdraagt.

En echt, beste lezer: ik hoopte echt dat het een wereldboek zou zijn…

Als het klasgemiddelde een buis is, dan is die voor de leerkracht

Natuurlijk heeft Filip Moons helemaal geen ongelijk als hij stelt dat klasgemiddelden niet alles zeggen over de prestatie van uw kind, maar een pleidooi voeren om het gewoon weg te laten en de ouders minder informatie te geven, is in dit informatietijdperk uiterst verdacht. Zijn nogal sofistisch argument tegen klasgemiddelden laat onmiddellijk zijn ware gelaat zien in de keuze van fictieve puntenreeksen.

We kunnen het spelletje dat Moons speelt, omkeren. Uw zoon of dochter komt thuis met 40%. Dat is gewoon slecht, daar heb je het klasgemiddelde toch niet voor nodig? Dat is correct: dit is een mogelijk hinderpaal voor het slagen in dit studiejaar, los van wat anderen gepresteerd hebben. Iemand die 55% haalt op een examen, heeft toch nooit iets te vieren? Dit is met de hakken over de sloot, daar hoeven we het gemiddelde niet voor te kennen.

Hier een echte puntenreeks voor Frans, 6 Humane Wetenschappen.

Het minste dat men kan zeggen is dat er iets misgelopen is in het pedagogisch proces. De vraag is nu waar het is fout gegaan. Zelfs de besten hebben 40% van de leerstof niet verwerkt?

Het klasgemiddelde zegt veel meer over de prestaties van de leerkracht i.v.m. het bijbrengen van vaardigheden en kennis. Natuurlijk hangt het resultaat ook af van de medewerking van de leerlingen, maar die hebben niet alles in de hand. De keuze van vraagstelling op het examen, de manier van examineren, het niveau van de opdrachten, zijn allemaal factoren die ook een impact kunnen hebben.

Als ik hier pleit voor het behouden van de gemiddelden op rapporten, is dat niet omdat het alles zegt over de prestaties van de leerling. Voor de positieve resultaten (+50%) is het wellicht compleet irrelevant, maar niet wanneer de leerling niet geslaagd is.

Wat de auteur ook niet lijkt te begrijpen is dat ouders wel weten dat resultaten enkel te vergelijken zijn tussen leerlingen die dezelfde lessen, dezelfde leerkracht en hetzelfde examen hebben gekregen. Zijn pleidooi dat de dochter die onder het gemiddelde scoort, misschien beter is dan de zoon die erboven zit, is voor iedereen nogal duidelijk. Alles hangt in Vlaanderen uiteindelijk van de leerkracht af.

Heel vreemd is ook de conclusie van Moons’ artikel: als je het gemiddelde dan toch wilt behouden, “vul het gemiddelde dan aan met informatie over spreiding, uitschieters,.. om een goed beeld te krijgen van de puntenverdeling.” Als spreiding van de scores belangrijk is om een goed beeld te krijgen van puntenverdeling, waarom raad men dit niet aan voor iedereen?

Hier lijkt het toch duidelijk een eerder politieke stellingname tegen N Va minister Weyts, dan een overdachte alternatieve benadering van het communiceren over de prestaties van de leerlingen. Moons’ politieke signatuur blijkt geen geheim. Hij zetelt dan ook in de ontwikkelingscommissie eindtermen wiskunde.

Het gemiddelde zegt lang niet alles, dus we geven best minder informatie? De enige reden dat scholen de gemiddelden willen weglaten, is om het flateren van leerkrachten te verdoezelen. Uiteindelijk is het altijd toch de leerkracht die verantwoordelijk is voor het leertraject.


Huis-werk als sociale discriminatie

Dit is een belangrijk aspect bij de democratisering van onderwijs: als je huiswerk gaat verrekenen in de evaluatie van de leerlingen, gaan de leerlingen met een sterke sociale achtergrond beloond worden en zij uit een zwakke sociale omgeving benadeeld.

Je hoort het overal en altijd: deze leerling is wel slim, maar studeert niet voldoende. Het maakt niet uit wat je doet tijdens de les, het eigenlijke werk gebeurt thuis. Studeren is nog altijd is essentie huis-werk.

Daarnaast is er het traditionele huiswerk, de taken die in de klas worden opgegeven en thuis moeten worden uitgevoerd en in rekening gebracht worden voor de uiteindelijke beoordelingen van dagelijks werk.

Deze twee vormen van huis-werk hebben een belangrijke veronderstelling over onderwijs gemeen, namelijk dat het eigenlijke werk, het leren, verwerven van vaardigheden, niet in de klas gebeurt, maar thuis. De klassituatie wordt daarin herleid tot een moment van eenrichtingscommunicatie van leerkracht naar leerling waarbij de leerstof wordt medegedeeld, door de leerling geregistreerd voor latere verwerking, thuis. Er wordt wel aan inoefening gedaan, maar zelden zul je een leerkracht wiskunde tegenkomen die beweert dat de leerlingen met het maken van de oefeningen in de klas voldoende hebben om de betreffende vaardigheid te verwerven.  Op eenzelfde manier stelt het traditionele huiswerk de prestaties uit naar een ongelijke context. Terwijl in de ideale klassituatie de leerlingen gelijk aan de start komen en puur op hun prestatie zouden kunnen worden beoordeeld, beloont huiswerk de gunstige thuisomgeving. In de klas heeft iedereen toegang tot dezelfde naslagwerken, heeft niemand een oudere zus of broer die die taak al een keertje gemaakt hebben, heeft iedereen tijd en dezelfde ‘rust’ of ‘onrust’ tijdens het maken van de taak — iedereen wordt als gelijkwaardig behandeld.

Dit is een belangrijk aspect bij de democratisering  van onderwijs: als je huiswerk gaat verrekenen in de evaluatie van de leerlingen, gaan de leerlingen met een sterke sociale achtergrond beloond worden en zij uit een zwakke sociale omgeving benadeeld. Dit hoeft geenszins absoluut parallel te lopen met financiële toestand van het gezin: ook ziekte van familieleden, gezinsproblemen, scheidingen enzoverder kunnen de extrascolaire prestaties van een leerling kelderen. Ik zie elk jaar in elke school leerlingen met ongelooflijke capaciteiten die uitermate goed presteren in zuiver intrascolaire evaluaties, maar er ook maar niet toekomen thuis iets te presteren.

Ik weet nog dat wij in de lagere school voor elke nieuwe periode die we met geschiedenis aanvingen, een collage moesten maken over die periode thuis. Nu mijn moeder had dat zien aankomen en honderden tijdschriften bewaard. Daarenboven hadden we een Larousse encyclopedie in de kast en had mijn vaders werk als een van de eersten een fotokopieermachine. Nu, mijn collages waren fantastisch, maar je kunt wel begrijpen dat je als je uit een sociale omgeving komt waar school minder gestimuleerd wordt, je het wel kon schudden in een katholiek college.

En dan sla ik een vraag over en vraag: “Maakt het uit of het hier over een bewuste strategie gaat of over een uitwas van een stuk pedagogie wat nooit aandachtig herdacht werd?”

Ook de vraag – “Moeten de leerlingen niet voorbereid worden op het hoger onderwijs waar ze ook moeten zelfstandig werken, thuis, na de les?” best onmiddellijk een antwoord. Inderdaad: na de les. En die duurt in het voortgezet onderwijs tenminste niet zo lang: geen hele dag. In het secundair onderwijs worden bijna 32u per week gespendeerd aan de zuiver transfer (overbrengen) van een miniem stukje leerstof. Dat is zeker geen voorbereiding op voortgezet onderwijs. De transferfase wordt verschrikkelijk uitgesponnen zodat er geen tijd overblijft waarin de leerlingen zelfs ook maar kunnen experimenteren met self-management. Je moet je ook de vraag stellen: welke volwassene die een volledige dag gewerkt heeft, heeft zin om ’s avonds nog eens achter de boeken te kruipen? Waarom verlangen we dat van jongvolwassenen wel, terwijl die al zoveel te ontdekken hebben buiten de school?

Elke stap naar een oplossing hiervoor, de radicale intrascolaire evaluatie, zal ook moeten dienstdoen als leermoment. De lessen die op deze blog gepubliceerd zijn, hebben exact dit gemeen dat zij taken zijn die de leerlingen kunnen uitvoeren zonder voorkennis en die op zichzelf een leermoment bieden. In die zin moet tijdens een verbetering de spanning die leerlingen zelf generen omwille van goede punten, gebruikt wordt al diepgaand leermoment. Dat er soms ook discussies kunnen ontstaan over antwoorden is belangrijk, want deze de leerlingen gaan op deze momenten ook actief aan het meedenken en onder elkaar discussiëren over de materie, altijd een teken dat ze de materie terdege begrijpen of minstens serieus beschouwen. Deze cognitieve spanning vormt de hoeksteen van het leermoment.

Nu ik net voor de tweede keer dit systeem heb toegepast, is het vooral ook het enthousiasme van de leerlingen over deze aanpak die mij inspireert. Zonder hun medewerking en openheid voor zulk een aanpak, is niets mogelijk en ieder van hen begrijpt mijn achterliggende motivering. Of deze aanpak werkelijk efficiënt is, valt op dit moment nog moeilijk te zeggen. De enige constante die ik wel zie, is dat jongeren van 16-17-18 jaar nog enorm kunnen evolueren in taalkundige capaciteiten gewoon door hun groei. Vaak toetsten zij die een jaar overzaten bij de besten van de klas wanneer ze louter op vaardigheden werden getest.

Metatekst: L.P. Boon, De Bende van Jan de Lichte

Lesmaterialen:

jandelichteDe volgende taak betreft een niet zo eenvoudig soort tekst: twee literaire metateksten. Teksten die over een teksten spreken, in het eerste geval waarbij een flaptekst over een roman en in het tweede een interview over een nog niet bestaand tv-script. Zowel de flaptekst als het interview brengen heel duidelijk Boons programma naar voor. Hij schrijft niet om de lezer te laten wegdromen in een vervlogen wereld, maar gebruikt de historische roman als een katalysator voor een revolutionaire geest bij de mensen. Met het verhaal van de 18e eeuwse verdrukking wil hij de lezer doen opstaan tegen de 20ste eeuwse slavernij van het proletariaat.

boon02

Het interview is licht en grappig, de flaptekst daarentegen vereist gebruik van het woordenboek.
http://cobra.canvas.be/cm/cobra/videozone/dagopdag2015/januari%2B2015/1.2166184