tinteltand


Freinet in Vlaanderen = verwaterde Institutionele Pedagogie

Ik heb mij altijd afgevraagd waarom de freinetbeweging in Vlaanderen zo geheimzinnig doet over haar onstaansgeschiedenis. Een boek van twee mensen die aan de wieg van de de eerste Vlaamse freinetschool de Appeltuin staan, doen wel het relaas in een boek uit 2009, terwijl de beweging ondertussen ter ziele lijkt gegaan.

Men mag niet vergeten dat de stichters van de Tinteltuin en de directeur recht van de Appeltuin komen en sommige zelfs nog aan deze school verbonden zijn. Wat er zich in Vlaanderen heeft geprofileerd als Freinetbeweging, gaat enkel van Leuven uit, heeft geen enkele intellectuele slagkracht en heeft ook geen connecties meer met de Gentse cirkels. Lees hieronder hoe het zover gekomen is. Alle freinetscholen in Vlaanderen (met uitzondering van het Gentse stadsnet) spiegelden zich aan de Appeltuin.

De hele Vlaamse freinetbeweging gaat enkel terug op gedachtengoed van een acolyt van Freinet, Fernand Oury. En de meesten weten het zelf niet eens..

  • 1979: oprichting Appeltuin
  • 1980: bezoek van Fernand Oury aan de Appeltuin
  • 1982: Appeltuin wordt gemeenschapsonderwijs
  • 1985: Eerste stedelijke freinetschool in Gent

“Vandaag tellen we in ons land 65 Freinetscholen: 55 in Vlaanderen, 10 in Wallonië.

Het mag verwonderlijk heten dat er zoveel meer Freinetscholen zijn in Vlaanderen dan in het landsdeel dat Freinet in zijn eigen taal kan lezen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met een bepaald klimaat en via een merkwaardige omweg. In de  late zestiger jaren waren in het Nederlandstalige landsdeel twee bewegingen actief: WERP (WErkgroep voor Revolutionaire Pedagogie) en AKO (Aktiegroep voor een Krities Onderwijs) d

Fernand Oury (1920-1997), vader van de Institutionele Pedagogie en onerkend geestelijk vader van de Vlaamse freinetbeweging.

ie later zouden samensmelten. De helaas jong gestorven romanist Jacques Dhaenens komt waarschijnlijk de eer toe om als eerste de Franse onderwijzer Fernand Oury te hebben uitgenodigd naar Vlaanderen. Later werden de samenkomsten met Oury door leden van AKO-WERP verdergezet, in Frankrijk, in Antwerpen en in Leuven. Tijdens de daaropvolgende jaren volgde de vertaling, door een werkgroep van AKO,  van het basiswerk van Oury: De la classe coopérative à la pédagogie institutionnelle. Aan de hand van monografieën wordt daarin aangetoond hoe belangrijk het is voor de kinderen om een reële medezeggenschap te hebben over het reilen en zeilen in de klas.
In diezelfde periode is er in Leuven een groep jonge ouders, bij wie ook een kleuteronderwijzeres, die onderzoeken hoe ze een alternatieve basisschool kunnen oprichten. Ze recruteren twee pas afgestudeerde onderwijzers die zullen starten met een eerste leerjaar. Een van beiden had tijdens zijn studietijd een stage doorgebracht in een I.P.-klas in Frankrijk. Samen met de ouders wordt na overleg geopteerd voor dit pedagogisch project. Ze zullen varen onder de vlag “Freinetschool”. Die naam geniet meer bekendheid en ligt beter in de mond dan Institutionele Pedagogie. De Appeltuin is geboren.

Bob Paulus, ‘Een andere aanpak van het onderwijs’ in AKTIEF, jrg.2008, nr.1

In een gratis online beschikbaar boek (prachtig!) schetsen de gebroeders de onstaansdagen van de Appeltuin wat uitgebreider:

De Appeltuin was in de eerste plaats een initiatief uit individuele ontevredenheid van vele ouders die het niet eens waren met de manier waarop de overgrote meerderheid van de kinderen ontvangen werden op de lagere school en ingeschakeld in het leerproces als “gemiddelde leerling”. Ze zochten naar alternatieven die zouden toelaten dat de kinderen meer op eigen ritme en volgens eigen wil konden leren.
De eerste ervaringen waren niet direct een daverend succes. De ouders probeerden het model na te volgen dat ze al gewoon waren van de kleutertuin waar één van hen, Vera, als spilfiguur optrad, bijgestaan door enkele vrijwilligers. Op de achtergrond zweefden ook de interessante verslagen van A.S. Neill en zijn experiment in Summerhill. Maar tussen de ouders zijn er een aantal die denken dat, om de school effectief te kunnen uitbouwen, er een echt lerarenkorps zal moeten zijn. Men gaat hiervoor op zoek naar geïnteresseerde kandidaten.
Een groepje komt samen in Egenhoven: ouders met eigen ideeën, een Ronni Hermans, collega met andere eigen ideeën, en twee kleuterleidsters, Vera Stroobans en Martien Neirinckx, ook al met ideeën, en Pascal, druk in de weer in de vertaalploeg van Oury’s werk. De Appeltuin wordt, niet zonder gezonde twijfels van de ouders, een institutionele school.

Pascal & Bob Paulus, Leren is geen dwangarbeid, 2009, p.65

Onmiddellijk is in deze teksten al de spanning duidelijk tussen de ouders die eigenlijk aan de wieg van de Appeltuin staan en de Gentse intellectuelen van AKO/WERP die zichtbaar de Institutionele Pedagogie proberen op te dringen.

 J. Bruyninckx

 

 



Alfabetcode revisited: alles op een rijtje

De reacties waren ook niet van de poes, maar meestal evenmin terzake. Dit kan niet helemaal gezegd worden van de discussie over de alfabetcode. Er cirkelen zelfs geruchten die suggereren dat de auteur gerechtelijke stappen zou overwegen te nemen tegen dit blog, alleen maar omdat ik op basis van de schamele documentatie en mijn dochter die in de klas zat over deze methode probeer duidelijk te maken dat deze:

  • zelfs bij leergierige leerlingen een achterstand van bijna een half jaar geeft na een jaar;
  • het onmogelijk maakt voor leerlingen om met de woorden die ze dagdagelijks tegenkomen te oefenen, omdat b en d enkel in koordschrift (tijdens schrijven) worden geleerd, niet in gedrukte vorm. Of, omgekeerd beschouwd: als de kinderen regelmatig echt gelezen zouden hebben, dat zouden ze geen enkel probleem met het verschil tussen een gedrukte b en d kunnen hebben. Ze hebben enkel kennisgemaakt met de letters door ze te schrijven, niet door leesonderwijs.
  • bij de kinderen de gewoonte vastlegt om te schrijven zoals je spreekt door de kinderen ‘vrije teksten’ te laten schrijven. Die worden misschien wel verbetert, maar de uitleg waarom ‘hont’ als ‘hond’ geschreven wordt blijft nooit hangen, want het is altijd flauwe kul. We schrijven de t klank niet toevallig als d, maar spreken de d als t uit. Stemhebbende medeklinkers (g, z, v, b, …) worden op het einde van het woord altijd stemloos uitgesproken. Dat is een specifieke eigenschap van het algemeen Nederlands en hierop dient elke dag geoefend te worden in het eerste jaar. Andere Germaanse talen zoals Duits en Engels hebben dat niet:dead klinkt /ded/, terwijl het Nederlandse dood als /doot/ uitgesproken wordt.

Het is ronduit onnuchterend om te zien hoe weinig aandacht er werd besteed aan lezen en hoe deze vaardigheid constant op een hoopje werd gegooid met het schrijven. Lezen is de sleutel, als je maar één zaak op school zou willen opsteken, dan is het goed (begrijpend!) lezen en informatie verwerken. Verder moet er als er over schrijven gesproken wordt, altijd duidelijk gemaakt worden welk aspect: spelling, zinsbouw, taalgebruik, opbouw, enzoverder, … zijn allemaal belangrijk. Woorden correct spellen is dan nog het minst complexe. En wat is dat, echt kunnen schrijven? Echt kunnen lezen is vinden wat je interesseert en het kunnen toepassen in je eigen leven.  Als je dan achteraf de mensen willen verbazen met geschrift, lees je gewoon een boek of een goede website over kalligrafie, of niet?



Waarom geen officiële klacht?

Wellicht zullen er nu een heel aantal flessen biocava ontkurkt worden, als ik aankondig dat ik geen officiële klacht tegen de school zal indienen bij de commissie zorgvuldig bestuur in het onderwijs. Er is ondertussen een nieuw document verschenen dat de financiële politiek van de school -op z’n minst aan de oppervlakte- hertekent. Dit nieuwe document maakt duidelijk dat de school toch op z’n minst nu een probleem erkent (anders was het document niet nodig). De vraag is echter of dit, zoals de school blijkbaar denkt, enkel een probleem van formulering is. Het is ook de vraag of, indien het tot een veroordeling was gekomen, de school een andere reactie zou getoond hebben dan de huidige.

De bedoeling van dit blog is altijd geweest om ouders te informeren hoe het eraan toe gaat in de freinetschool. Dat kan enkel exemplarisch, maar het gaat over het stramien dat de vlag allerminst de lading dekt. Er is, gezien de recente explosie, dringend degelijk onderzoek nodig naar de pedagogische praktijk die, hoe kan het anders, niet dezelfde is als 50 jaar geleden, maar vreemd genoeg haaks staat op de principes van gelijkheid, toegankelijk en kosteloosheid die het gemeenschapsonderwijs hoog in het vaandel draagt.

Er zijn zeker freinetscholen in Vlaanderen die anders te werk gaan en de principes van de stichter meer eer aandoen. De vraag is alleen: hoe kom het dat freinetscholen onderling nog eens “zo sterk” verschillen? Sommigen scholen zijn heel duidelijk over de ouderbijdrage en andere steun aan de school, zoals het eigenlijk zou moeten. Hoe weet je nu als ouder in wat voor freinetschool je terecht komt? Hoe weet je waar je je aan te verwachten hebt in zo’n school?

Ik stel hierbij alleen de volgende hypothetische vraag: hoe kun je in een school waar er zoveel van de ouders verwacht wordt (financieel en organisatorisch), toch beweren dat favoritisme uitgesloten is? In een gewone school hebben leerkrachten soms ‘schrik’ van ouders die voor hun kinderen pleiten, vooral in geval van deliberatiebetwisting. In de Tinteltuin is dit niet aan de orde, iedereen is sowieso altijd geslaagd. De schrik die hier heerst, is die van de moeder die vindt dat zij niet zoveel kan bijdragen als anderen, en vreest dat haar kind wordt achtergesteld omdat een andere moeder elke week de klas overneemt, pizza’s bakt voor je leerkracht of regelmatig helpt met het vervoer.

Je dacht dat je met enkele honderden euro’s per kind, een helpende hand bij het poetsen, een paar verplaatsingen en begeleiding op het kamp je steentje wel had bijgedragen… en dat is wel zo, maar er altijd een paar die nog veel meer doen en het laken naar zich toetrekken.



Bemerkingen van de doorlichting over de alfabetcode, evaluatie en getuigschriften

Een aantal van de commentaren op dit blog, focusten op de het lees- en schrijfonderwijs. Dit is een moeilijke materie, zelfs voor specialisten en dus zeker voor ouders. Er wordt mij verweten de gebruikte methode, de alfabetcode, verkeerd voor te stellen, terwijl er geen literatuur in het Nederlandse taalgebied over verschenen is. Mijn ideeën over de alfabetcode zijn tentatief, maar de commentatoren kwamen ondanks hun lange betogen niet tot weerleggingen van dezelfde observaties die ook de doorlichting niet ontgaan zijn. De alfabetcode…

  • wordt (vrijwel) nergens anders gebruikt;
  • meent komaf te kunnen maken met ‘dyslexie’;
  • gaat terug op de ‘fonetische’ (klankgerichte) traditie in de pedagogie;
  • leert kinderen eerst schrijven, dan lezen;
  • ziet schrijven als een manier om te leren lezen.

Al deze vroeger reeds gemaakte bemerking staan ook alsdusdanig in het verslag vermeld:

Waar het schoolwerkplan het natuurlijke leren vooropstelt, maakte de school de keuze om voor het lees– en schrijfonderwijs terug te vallen op een onderwijsleerpakket dat in Vlaanderen verre van gestandaardiseerd is. Dit pakket promoot zichzelf als ‘een nuchtere en dyslexieveilige methode’ met een sterk fonetische inslag waarbij kinderen ervaren dat letters transcripties van klanken zijn. De volgorde voor het aanleren van de vaardigheden verschilt van de gebruikelijke werkwijze. Bij deze aanpak start de werking vanuit: ‘leren lezen doe je door te leren schrijven’. De aanwezige externe leerkracht– en leerlingenondersteuning bij de opstart werd door omstandigheden dit schooljaar niet verder uitgevoerd. De afspraken (tot op heden nog weinig geformaliseerd) voor het hanteren van deze werkwijze geven blijk van een kritische ingesteldheid en vormen een aanzet bij het bewaken van de eigen onderwijskwaliteit. (Inspectieverslag BS De Tinteltuin p.11)

Deze gebalde paragraaf bevat ook een aantal andere elementen:

  • De alfabetcode staat niet in het schoolwerkplan vermeld
  • De aanpak voor Nederlands in het schoolwerkplan is ‘natuurlijk leren’ en tegengesteld aan de ‘fonetische’ alfabetcode
  • Over hoe de alfabetcode in de school wordt toepgepast, staat niets op papier (m.a.w. zijn geen afspraken gemaakt) – laat u niet inpakken door het schijncompliment op het einde.

Dat de formulering van het doorlichtingsteam respectvoller zal worden geacht dan mijn opmerkingen, heeft te maken met het feit dat de doorlichting enkel vaststellingen kan doen, maar verder niet. De overheid mag geen methode voorschrijven, daarin heeft elke school (dus ook een freinetschool) de complete vrijheid. Wat de doorlichting wil zien, zijn resultaten. De leerresultaten kan de school bewijzen door het evalueren van de leerlingen op een manier die zij gepast acht. Ook daar is er aanzienlijke vrijheid. Op dit moment kan het leesonderwijs van de school amper geëvalueerd worden (zo stelt ook het doorlichtingsverslag), er zijn nog geen kinderen die op basis van de alfabetcode hun hele schoolloopbaan hebben afgelegd. Maar de terughoudend houding van de school om objectief en kwantitatief te evalueren, is op verschillende plaatsen in het verslag te lezen.

De school kan voor Nederlands nog weinig valide en verifieerbare leerlingenresultaten voorleggen. Ook na een werking van anderhalf jaar dient een school aan te geven dat zij op basis van haar onderwijsresultaten leerwinst realiseert. (ibid. p.6)

Je doet als leerkracht in feite het hele jaar je zin, maar je moet wel kunnen aantonen dat je leerwinst boekt. Dat heeft niets te maken met het gegeven van een beginnende school, dat behoort zelfs binnen een leerjaar te gebeuren. Dat doet een goede leerkracht niet voor de doorlichting of de directie, maar voor zichzelf: “ben ik op de goede weg? hebben ze iets opgestoken? wat is een verklaring voor deze of gene resultaten?” Wat de gevolgen hiervan zijn kunnen we ook lezen:

Het is voor de school geen evidente opdracht om na anderhalf jaar van start gaan valide outputgegevens voor te leggen. Een eerste uitstroom van twee leerlingen liet niet toe om gerichte uitspraken te doen en van hieruit de onderwijskwaliteit bij te sturen. Wel zette het aanvankelijk niet uitreiken van een getuigschrift de school aan het denken. Formele criteria ter verantwoording van de procedure volgens dewelke getuigschriften basisonderwijs worden toegekend, ontbreken nog in het schoolreglement. (ibid. p.11)

Ik weet niet goed wat ik hier lees – staat hier nu dat de vorig jaar afgestudeerde leerlingen geen getuigschriften hebben ontvangen? Is dat dit jaar wederom het geval geweest? Dit zijn geen citaten waar ik veel commentaar bij durf te geven. Ieder mag dit voor zich beoordelen.



Alfabetcode leidt tot pseudo-dyslexie?

…mijn dochter in de tweede graad (…) heeft enkele specifieke spellingsproblemen. (freinetleerkracht tinteltuin)

Wij zijn al jaar en dag “fan” van de pedagogie van Freinet!! Ook onze 2 oudste zonen mochten hun kleuter en lager onderwijs in een freinetschool doorbrengen. (…) Onze 2 zonen zitten nu in het tweede en vierde jaar in de richting “wetenschappen” van een gewoon college (…) de oudste , heeft dyslexie (…) Ook onze dochter heeft lees- en spellingsproblemen.[Ze] schrijft niet zonder fouten en leest nog moeizaam (verknochte tintelouders)

… vooral de zwakkere leerlingen op scholen waar het leren lezen niet systematisch getraind wordt, lopen het risico pseudo-dyslectici te worden (Prof. Dr. A. Bus)

Ik ken zelfs volwassenen met spellingsproblemen (!), voor kinderen van 10 jaar is dat doodnormaal. Leesproblemen daarentegen op die leeftijd moeten je aan de alarmbel doen trekken. Hebben ze eigenlijk ooit echt leesinstructie gehad in de freinetschool de Tinteltuin? Vooral verontrustend is hoe ‘spelling’ (woorden correct schrijven) en lezen op één hoopje worden gegooid.

Het is tijd om heel concreet te worden: de talige vaardigheden zijn de volgende:

  • lezen: schriftelijk informatie ontvangen
  • schrijven: schriftelijk informatie sturen
  • luisteren: mondelinge informatie ontvangen
  • spreken: mondelingen informatie sturen
Spellen en handschrift zijn gewoon onderdelen van de schrijfvaardigheid. Dyslexie is een leesprobleem, maar omdat de enige andere vaardigheid waar je lezen voor nodig hebt, schrijven is, zou je dyslexie ook kunnen vaststellen in spellingsproblemen. Je moet wel tussen dyslectische spellingsfouten en andere, en daar knelt volgens mij het schoentje.

In het eerste leerjaar van de Tinteltuin staat zoals in alle basisscholen, lezen en schrijven op  het programma. Daarbij wordt gebruik gemaakt van wat aangekondigd wordt als de nieuwste methode, de Alfabetcode. Deze methode werd ontwikkeld, zo stelde men, door prof. dr. Erik Moonen van de Katholieke Hogeschool Limburg. Deze methode is afwijkend van alle andere leesmethodes op de volgende vlakken:

  • Eerst schrijven, dan komt lezen uit zichzelf.
  • Er is een simpele methode die je kunt toepassen om van de uitspraak naar de spelling te gaan. Je moet je gewoon bewust worden van de klanken (foneembewustzijn)
  • Dyslexie is een erfelijke hersenaandoening die te genezen is.

Eerst schrijven, dan lezen

Moonen formuleert het nog sterker: “Leren lezen door te leren schrijven”

Het is heel simpel: eerst lezen, dan schrijven. Waarom? Je hebt het lezen nodig om te kunnen schrijven. Als je niet kunt lezen wat je schrijft, ben je aan het tekenen. Verder: er zijn mensen die kunnen lezen, maar nooit hebben leren schrijven. Schrijven is iets maken wat je kunt lezen. Letters overtekenen kan een peuter…

Schrijven is louter een motorische vaardigheid, waarvan we de vraag moeten stellen, zo langzamerhand, of manueel schrijven nog aan de orde is? Allezins, oefening baart kunst, maar het is een motorische handigheid. Daar komt nog bij de druk die gelegd wordt op de vorm en het vormen van de letters, in die richting en zo en niet anders. Een speciaal instructie-uur dat voorzien was voor het eerste leerjaar, werd volledig gespendeerd aan schoonschriftoefening. Nooit aan lezen. Lezen moesten de kinderen altijd alleen doen, in de leeshoek. Net op een moment dat ze daar echt begeleiding in nodig hebben. Het leerplan basisonderwijs zegt hierover heel duidelijk:

Leesinstructie bij het aanvankelijk en voortgezet lezen, heeft uitsluitend tot doel de leerlingen de noodzakelijke vaardigheden bij te brengen die ze nadien in steeds zelfstandiger mate moeten kunnen toepassen.

http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/leerplannenbao/leerplannenbao/lager/nederlands.pdf

Ik heb vragen hierover gesteld aan de leerkracht en Erik Moonen persoonlijk toen die zijn methode kwam toelichten en beiden reageerden nogal kribbig op mijn vragen: waar over deze methode in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd was, of deze methode getest was enzoverder. In antwoord op mijn mail na de lezing, reageerde Moonen al even gepiqueerd en met de nodige tikfouten, zodat ik zijn minachting voor spellingscontrolesoftware wel serieus moest nemen. Een week later kregen we via de leerkracht een al even snelgetikte samenvatting van de Alfabetcode.

Lezen komt gewoon vanzelf

Lezen is het meest complexe en belangrijke wat een kind op de lagere school leert. Nochtans werd er veel tijd gestoken in lees- en schrijfinstructie, maar ik begrijp nu: dat was louter schoonschriftoefening. Er werd niet begeleid of klassikaal gelezen, de kinderen lazen alleen in een boekje.

De afwezigheid van de leesmethode staat niet alleen in de slogan (lezen door schrijven), maar is ook van toepassing op Moonens handout: er wordt met geen woord over leesmethodes gerept.

Lezen komt nooit vanzelf en is een belangrijke oefening in schrijven. Als je elke dag het woordje ‘de’ of ‘het’ tegenkomt, dan kun je dat na een weekje spellen. En blijven oefenen, zo oefen je je grafeembewustzijn, m.a.w. bewustzijn schrijfwijze.

tligt m moeilek om nie zo te beginne spelle…

…want dit is echt wat Moonen met zijn alfabetcode bereikt: uitspraakspelling. Waar de leesmethode ontbreekt, is er een hele uiteenzetting over spellen. Deze kinderen kunnen nog niet motorisch schrijven, of ze moeten al spelling oefenen? Dit is toch uiterest vreemd. Spelling hoort niet thuis in een eerstejaar lager onderwijs.

Spellen wordt ‘schrijven’ genoemd en men komt met een hele moeilijke methode om de spelling van woorden uit hun uitspraak af te leiden. Verder worden ze verplicht om ‘vrije teksten’ te schrijven, die dan vervolgens vol uitspraakspelling staan. Je kunt geen (vrije) teksten schrijven als begin, je stuit in elk woord op spellingsproblemen. De kinderen moet herhaaldelijk door lezen basiswoordvormen ingeprent worden.

Uitgaan van de uitspraak en dan met een moeilijk regeltje tot de spelling komen is funest: je kweekt de foute gewoonte. De regeltjes worden vergeten, maar de reflex om van de uitspraak uit te gaan, blijft. Die regeltjes bepalen dat de klank /t/ verschillende spellingen heeft, soms wordt die als ‘t’ geschreven (kat), maar soms als ‘tt’ (katten), soms als ‘d’ (bad) en soms als ‘dt’ (hij bidt). Voor de eerste drie moet je gewoon genoeg teksten gelezen hebben met die woorden in, voor het laatste moet je de grammaticaregels kennen – de uitspraak heeft hier niets mee te maken.

Moonen hamert hier op foneembewustzijn (bewustzijn van welke klanken) en dat is een belangrijk concept, maar niet bij de spelling. Klankbewustzijn is belangrijk voor je begint aan lees onderwijs: je moet de kinderen leren dat woorden die ze kennen uit klanken bestaan. Ze moeten leren k – a – t (niet: kaa – aa – tee, maar echt de klanken) zeggen als je hen het woord kat in zijn geheel aanbiedt. Bij spelling heeft foneembewustzijn niets te zoeken, daar gaat het nogmaals, om grafeembewustzijn (bewustzijn hoe geschreven woorden eruit zien) en dat train je met lezen. Als je dat niet doet, dan schrijf je sowieso in uitspraakspelling en dat is exact wat ook wel pseudo-dyslexie (valse woordblindheid) wordt genoemd.

Onderzoek uit ’85: Steinerleesmethode leidt tot pseudo-dyslexie

Het is dankzij RDV dat dit onder mijn aandacht is gekomen dat er in 1985 een studie is gebeurd naar het leespeil van steinerleerlingen in Nederland. Het resultaat leest u in de titel. Maar de oorzaak is belangrijk: er werd voor men aan lezen begon te weinig aan foneembewustzijn gedaan (kat opsplitsen in klanken). Verder werd er veel te veel aan schrijven gewerkt (dan nog in drukletters) en werden de letternamen gebruikt i.p.v de klanken.

In een oratie in 2005, stelde prof. A. Bus nog amper verbetering vast in de steinerscholen. De vraag is hoe ze dat kon weten, want ze werd na haar eerste publicatie zwaar de antroposofische gemeenschap (volgelingen van Rudolf Steiners leer, de antroposofie) aangevallen en nooit meer tot de Steinerscholen toegelaten. De beschuldiging dat ze haar onderzoek onder een vals voorwensel zou hebben gedaan, schildert haar expliciet af als een buitenstaander, wat voor beide partijen wel voordelig zou kunnen zijn.

Freinet biedt een steineriaanse oplossing en dit zijn de punten waar de freinetleerkracht op hamerde:

  1. alle andere bestaande methodes zijn compleet fout (bijna elke keer als het onderwerp te sprake kwam, werd dit herhaald)
  2. letters noemen met de klanken, niet met de namen
  3. geen drukletters, maar sierlijk koordschrift
  4. foneembewustzijn is de sleutel tot correcte spelling en dyslexie
  5. oefenen met lezen alleen in koordschrift
  6. lezen gebeurt alleen en zonder instructie of feedback. De leerkracht vertelde zelf hoe zijn dochter met leesproblemen elke dag probeerde een stukje sneller en meer te lezen, maar hij gaf daarbij geen uitleg of feedback…

Nogmaals de conclusie van professor Adriana Bus:

vooral de zwakkere leerlingen op scholen waar het leren lezen niet systematisch getraind wordt, lopen het risico pseudo-dyslectici te worden

 



Is mijn freinetleerkracht een aanhanger van Rudolf Steiner?